Gezondsporten: een initiatief van de Vlaamse overheid
/ Home / Sport en ... / Sport en eetstoornissen.
Sport en eetstoornissen.
Epidemiologische studies tonen aan dat eetstoornissen de laatste jaren steeds meervoorkomen.
Voornamelijk vrouwen tussen 15 en 24 jaar oud, met een piek rond 18 jaar, vertonen anorexia nervosa of magerzucht. Eetstoornissen komen voornamelijk bij vrouwen voor: 90 à 95 % van de anorexia nervosa patiënten zijn vrouwen. Eetstoornissen komen frequenter voor bij vrouwelijke atleten dan bij niet-sportende vrouwen. Het is voornamelijk in sporten waarbij het lichaamsgewicht van belang is (judo, turnen, afstandslopen...) dat dergelijke stoornissen vaak voorkomen.

Volgens "The Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders" (DSM-IV) worden eetstoornissen gekenmerkt door ernstige stoornissen in het eetgedrag.

Anorexia Nervosa
Anorexia nervosa wordt gekenmerkt door de weigering om het lichaamsgewicht boven een als normaal bestempeld lichaamsgewicht te houden, een verkeerd lichaamsbeeld, een extreme vrees voor vet- of gewichtstoename, terwijl men duidelijk te mager en amenorrhoeïsch (minstens 3 opeenvolgende cycli) is. Individuen met anorexia nervosa voelen zich dik alhoewel ze eigenlijk (veel) te mager zijn.

Bulimia Nervosa
Bulimia nervosa wordt gekenmerkt door (vr)eetbuien en purging" (braken...). Een typisch kenmerk is het in het geheim verorberen van calorierijk voedsel dat vervolgens wordt uitgebraakt waarna de eetbui kan verder gezet worden.
De DSM-IV-kriteria voor bulimia nervosa zijn: regelmatig (minstens 2 keer per week gedurende minstens 3 maand) terugkeren van eetbuien en ongewoon gedrag (“purging”) om gewichtstoename te voorkomen.

Binge Eating Disorder
Dit werd recent toegevoegd bij de DSM-IV-kriteria. Het gaat hier voornamelijk om te zware personen die wel eetbuien vertonen (minstens 2 keer per week gedurende minstens 6 maand), maar die niet aan”purging” doen.

Anorexia Athletica
Deze term wordt sinds een tiental jaren gebruikt. De hoofdkriteria zijn:
  • gewichtsverlies (> 5 % onder normaal gewicht van vrouwelijke populatie met dezelfde leeftijd en lengte);
  • afwezigheid van ziekte of aandoening die dit gewichtsverlies kan verklaren;
  • overdreven vrees om te dik te worden;
  • verminderde energie-inname (< 1200 kcal/dag).

Daarnaast zijn er ook fakultatieve nevenkriteria

  • verlate menarche (na 16 jaar);
  • menstruele dysfunctie (secundaire amenorrhoea, oligomenorrhoea);
  • gastroïntestinale klachten;
  • verkeerd lichaamsbeeld;
  • gebruik van purging-methodes (braken, laxantia, diuretica);
  • eetbuien;
  • overdreven training om "het lichaam te zuiveren van het eten".

Atleten met anorexia athletica geven meestal aan dat ze moeten vermageren voor hun sport of op aanraden van hun trainer.

Eetstoornissen bij vrouwelijke atleten
Studies over eetstoornissen geven nogal uiteenlopende resultaten naargelang de onderzoeksmethode (self-report of interviewmethode), de onderzochte populatie en de manier van gegevensverwerking. Ondanks deze tekortkomingen kan men uit de reeds uitgevoerde studies volgende besluiten trekken

  • er treden meer eetstoornissen op bij atleten in vergelijking met niet-atleten;
  • er treden meer eetstoornissen op in sporten waarbij een bepaald gewicht belangrijk is.

Een recente studie vond volgende percentages van eetstoornissen bij atleten

  • technische sporten: 13 %
  • uithoudingssporten: 20 %
  • esthetische sporten: 34 %
  • sporten met gewichtscategorieën: 27 %
  • balsporten: 11 %
  • krachtsporten: 5 %
  • niet-atleten: 5 %

In de uithoudingssporten kon nog een onderscheid gemaakt worden in

  • langlaufen: 33.3 %
  • afstandslopen: 27.2 %
  • wielrennen: 20 %
  • zwemmen: 15 %
  • oriëntatieloop: 0 %

Risicofactoren voor het ontwikkelen van eetstoornissen
Zowel psychologische, biologische als sociale factoren spelen een rol bij het ontstaan van eetstoornissen.

Voorselectie

  • Sport zou mensen aantrekken die anorectisch zijn (of aanleg hebben om anorectisch te worden). Zij zouden door bepaalde sporten worden aangetrokken omdat zij op die manier hun ziekte kunnen verstoppen (vermits iedereen in die sporten (te) mager is).
    Dit geldt zeker niet voor alle gevallen. Denken we maar aan turnsters die reeds op zeer jonge leeftijd (6 jaar) geselecteerd worden en waar dus geen sprake kan zijn van keuze voor die sport wegens een streven naar magerte.
  • Waarschijnlijk komen eetstoornissen meer voor bij niet-elite atleten vermits een eetstoornis een obstakel vormt om tot de elite te behoren.
  • Anorexia nervosa zou kunnen veroorzaakt worden door de training. Training zou de eetlust verminderen (door veranderingen in de endorfinespiegels), een verminderde energieopname veroorzaken met als gevolg vermagering. Als het lichaamsgewicht daalt, zou de motivatie voor meer training stijgen.
  • Atleten met eetstoornissen zijn meestal op jonge leeftijd sportspecifiek beginnen trainen. Een te vroege sportkeuze (prepuberteit) verhoogt de kans op een verkeerde sportkeuze (een sport die niet overeenkomt met de lichaamseigenschappen) en zal vaker leiden tot eetstoornissen om toch het vereiste lichaamstype te bereiken.

Duidelijke selectiecriteria op jonge leeftijd en tijdens de (pubertaire) ontwikkeling, zijn dan ook noodzakelijk. Beter op dat ogenblik iemand naar een andere sport leiden dan per se die sport verder te willen laten beoefenen met alle risico’s vandien. Ook de familiale antecedenten (van overgewicht) moeten zeker in rekening gebracht worden bij de keuze van bepaalde sporten.

  • Het fel schommelen in gewicht (bij sporters in gewichtscategorieën bijvoorbeeld), waarbij zij vóór de kompetitie plots snel moeten vermageren, zou een verhoogd risico betekenen voor het ontwikkelen van eetstoornissen.
  • Persoonlijkheidsfactoren spelen ook een belangrijke rol. Zo blijken de meeste sporters met eetstoornissen volgende persoonlijkheidskenmerken te vertonen : hoge zelfverwachting,
    perfectionisme, onafhankelijkheid en doorzettingsvermogen.
  • Traumatische ervaringen zijn vaak oorzaak van het ontstaan van eetstoornissen: verandering van trainer, kwetsuur, ziekte, seksueel misbruik door de trainer.
  • Druk van buiten uit om het gewicht te verminderen ligt ook vaak aan de basis van het ontstaan van eetstoornissen. De rol van de trainer lijkt hier zeer belangrijk
  • Verder is het zeer belangrijk of de atleet al dan niet professioneel begeleid wordt bij zijn vermageren. Opleiding van trainers in het herkennen van alarmsignalen in verband met eetstoornissen lijkt dan ook één van de meest belangrijke preventiemaatregelen om eetstoornissen te vermijden.

Preventie eetstoornissen
De echte oorzaak van eetstoornissen is niet gekend. Het is dan ook moeilijk om duidelijke preventiemaatregelen op te stellen.

Toch enkele belangrijke zaken

  • De trainer moet weten dat hij een enorme impact heeft op de atleet;
  • Een trainer mag nooit gewichtsdaling van de atleet eisen zonder professionele begeleiding.
  • Hoe langer de eetstoornissen bestaan, des te moeilijker wordt de behandeling. Vroege herkenning is dus zeer belangrijk. Ouders, trainers, atleten en al wie meedoet in de begeleiding van de atleet moet dan ook op de hoogte zijn van het bestaan en de mogelijke gevolgen van deze eetstoornissen en moet een bepaald gedrag dat wijst op eetstoornissen vlug kunnen herkennen.
  • Men moet steeds realistische doelen qua lichaamsgewicht vooropstellen. Het gebruik van een huidplooidiktemeter of onderwaterweging kan de realiseerbaarheid van het beoogde doel zeker goed inschatten. Stel een realistisch gewichtsdoel, start op tijd met de vermagering en controleer de atleet regelmatig.

Praktische aanpak van atleten met eetstoornissen
De begeleiding van atleten met eetstoornissen is in de eerste plaats een zaak van de psycholoog/psychiater. Niettemin wordt men in de praktijk vaak geconfronteerd met sport(ster)s die te kampen hebben met eetstoornissen.

De gewichtsevolutie
Niet enkel het huidige lichaamsgewicht (en lengte) is van belang, maar ook de gewichtsevolutie en de gewichtsattitude van de atleet. Daarom verzamelt men: huidig gewicht, streefgewicht (volgens atleet), hoogste gewicht, laagste gewicht, het gewicht als kind.

Hieruit kan men afleiden in welke situatie de "patiënt" zich bevindt

  • een "magere" persoon die langzamerhand een overgewicht heeft geaccumuleerd;
  • een "zwaardere" persoon die een laag lichaamsgewicht heeft bereikt; - een chronische lijner met fluctuerend lichaamsgewicht.

Het vetpercentage meten
Atleten (en hun trainers) hebben vaak een verstoord beeld betreffende hun huidig lichaamsgewicht of streefgewicht. Vaak worden de meest onrealistische objectieven naar voor geschoven, die niet haalbaar zijn gezien hun musculatuur.
Een vetpercentage bepalen en daaruit een realistisch streefgewicht afleiden, is bij atleten noodzakelijk

De energetische behoefte inschatten.
Ook qua energiebehoefte is het zelfbeeld vaak verstoord. Bij atleten die lijden aan eetstoornissen komt het vaak voor dat ze zeer precies hun energie-inname kennen (door zelf te berekenen, vaak tot op 1 kcal nauwkeurig), maar ze hebben geen benul van wat hun werkelijke energiebehoefte is. Wel zetten ze voor zichzelf een energie-inname voorop die vaak ver onder de dagelijkse energiebehoefte ligt.
De tweede stap in de begeleiding van de atleet met eetstoornissen is bijgevolg het bepalen van de werkelijke dagelijkse energiebehoefte.

Evaluatie en aanpassing van het voedingspatroon
Vervolgens wordt het voedingspatroon geëvalueerd met aandacht voor het tijdstip van de verschillende maaltijden, de energetische verdeling ervan en het voorkomen van (vr)eetbuien. Deze treden meestal `s avonds op, nadat men zich een hele dag minutieus aan een (te) streng eetpatroon hield. Een goede evenwichtige verdeling uitwerken, met voldoende energie in ontbijt, middag- en avondmaal en ruimte voor tussendoortjes, is nodig.

Voorbeeld : een dagelijkse inname van 2500 kcal kan als volgt verdeeld worden:
ontbijt 500 kcal
tussendoor 250 kcal
middagmaal 500 kcal
tussendoor 250 kcal
avondmaal 750 kcal
tussendoor 250 kcal

Tenslotte is het erg belangrijk om vooral het accent te leggen op "gezondheid" en niet zozeer op "gewicht". Voedsel is niet alleen een bron van energie, maar een investering in de gezondheid.

top


Dopinglijn (nieuw venster)
Koepel Sportvlaanderen.be (nieuw venster)
logo Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media (nieuw venster)
portaalsite Vlaamse overheid (nieuw venster)
nieuwsbrief
inschrijven


Copyright © Vlaamse overheid