Gezondsporten: een initiatief van de Vlaamse overheid
/ Home / Training / Testen / Weerstandstest
Tests van de anaërobe capaciteit
Tijdens inspanningen van minder dan 10 seconden levert het anaëroob alactische systeem tijdens een éénmalige inspanning het merendeel van de energie
Tests voor de capaciteit van het anaërobe lactische systeem duren zo’n 30 seconden tot één minuut. Uit recent onderzoek van Beneke et al. (2002) blijkt dat zo’n 50% van de energielevering tijdens een Wingate test van 30” aëroob verloopt. Met dit gegeven dient rekening te worden gehouden bij de interpretatie van tests van de anaërobe capaciteit.
Wingate anaerobic test
Hoewel een aanzienlijk deel van de energielevering tijdens een Wingate test aëroob gebeurt, blijft deze test één van de meest bruikbare tests van de anaërobe capaciteit, en is het een veel gebruikte en zeer betrouwbare methode om de anaërobe eigenschappen van atleten in te schatten.
In de literatuur zijn zeer veel referentiewaarden beschikbaar voor deze test.

Vastgesteld is dat de optimale belasting voor een Wingate test hoger is bij goed getrainde atleten, in het bijzonder voor krachtatleten. Voor kinderen is de optimale weerstand lager dan voor volwassenen, en ook vrouwen presteren beter wanneer een iets lagere weerstand wordt ingesteld.
Bar-Or suggereert een weerstand van 3.92 en 4.13 joule per kg lichaamsgewicht voor respectievelijk meisjes en jongens, en 20 tot 25% hogere belastingen voor volwassenen (0.075 kp per kg, of 4.41 joule per kg per pedaalomwenteling). Evans en Quinney (1981) vonden echter hogere resultaten bij 0.098 kp/kg (5.76 joule per pedaalomwenteling per kg) bij mannelijke LO studenten en beloftevolle atleten.

Onderstaande tabel geeft de waarden aan die bij consensus worden overeengekomen voor het afleggen van de Wingate test.
atleet Weerstand (kp/kg lichaamsgewicht)
mannen vanaf 16 jaar 0.100
vrouwen vanaf 16 jaar 0.085
mannen jonger dan 16 jaar 0.070
vrouwen jonger dan 16 0.067
Noot: 1 kilopond meter (kpm) is the force acting on the mass of 1 kg at normal acceleration of gravity. 1 kp = 9.80665 Newtons, 1kpm = 9.80665 Joules. 1 Watt = 6.12 kpm/min (Astrand & Rodahl 1970).
Bij consensus wordt overeengekomen dat de test aanvangt bij een trapfrequentie van 100 RPM.

Betrouwbaarheid:
Zowel het piekvermogen, het gemiddelde vermogen en (zij het in mindere mate) de afname van het vermogen gedurende de test zijn zeer betrouwbare parameters waarbij de afname van het vermogen een minder betrouwbare parameter is dan het piekvermogen of gemiddelde vermogen. Wel dient bij de interpretatie van de test rekening te worden gehouden met het optreden van een oefeneffect, voornamelijk bij niet-wielrenners.
Ook de pieklactaatconcentratie, die optreedt tussen 5 en 7 minuten na de test, is betrouwbaar te meten.

Uitvoering:
Opwarming:
5 minuten fietsen aan een intensiteit die de HF opdrijft tot 75% van de maximale hartfrequentie, indien deze gekend is, of 150 (volwassenen) of 160 (kinderen) slagen per minuut indien deze niet gekend is.
De trapfrequentie is vrij te kiezen, maar dient regelmatig gedurende minstens 20 seconden meer dan 100 RPM te bedragen.

Instructie:
Tijdens de opwarming krijgt de atleet volgende instructies:
• de test dient maximaal te worden uitgevoerd.
• van bij het begin van de eigenlijke test zo hard mogelijk te fietsen gedurende 30 seconden.
• de atleet wordt uitgelegd dat de test zeer zwaar is, maar van korte duur (vooral van belang bij jonge atleten).

Wingate anaerobic test:
  • de atleet fietst aan een frequentie van 100 RPM zonder belasting
  • de belasting wordt ingesteld na 5 seconden aftellen door de testleider
  • de testleider moedigt de atleet verbaal aan om maximaal te presteren aan het begin van de test
  • na 10 en 15 seconden vermeldt de testleider de resterende tijd, gedurende de laatste 10 seconden van de test telt hij of zij de seconden tot het einde van de test af
  • na afloop wordt de bloedlactaatconcentratie gemeten 1, 3 en 5 minuten na de test (Weinstein et al. 1998). Zodra een daling van de bloedlactaatconcentratie wordt opgemerkt, kan worden gestopt met de lactaatmetingen. De atleet fietst ondertussen uit zonder weerstand
  • de atleet dient minstens 7 minuten los te fietsen om een bloeddrukval te vermijden

Deze test kan worden toegepast bij volgende sporten:

Wielrennen
Skiën
Triatlon bij triatleten wordt deze test niet aangeraden voor alle atleten, daar andere tests voor de meeste triatleten zinvoller zijn, en een overladen testschema dient voorkomen te worden.

Indien men bij een individuele triatleet de anaërobe capaciteit wil nagaan, kan wel een Wingate worden uitgevoerd.

Roeien zie: Riechman et al. (2002)
Herhaalde sprongvermogentest (Test of repeated jump ability)
Betrouwbaarheid:
Bosco et al. (1983 ) toonde aan dat deze test zeer reproduceerbaar is (r = 0.95). Recent onderzoek (Hoffman et al. 2002) vond intra-classcorrelaties van r=0.96 en meer voor piekvermogen en gemiddeld vermogen tijdens deze test in een populatie van 132 mannen en vrouwen van verschillende fysieke activiteitsniveaus.
Hopkins (2000) bemerkte dat dergelijke hoge intra-classcorrelaties (die overeenkomen met een coëfficient van variatie (CV) van 0.9 %) zeer hoog zijn, zeker wanneer wordt vergeleken met een CV van 1.7 tot 2.3% voor de prestatie van top hoogspringers op internationale atletiekmeetings.

De test-retest betrouwbaarheid lijkt hoger te zijn tussen de tweede en de derde test (rmean power = 0.96; rpeak power = 0.96 ) dan tussen de eerste en de tweede test (rmean power = 0.91; rpeak power = 0.88) (Hoffman et al. 2002). Ook bij deze test treedt blijkbaar een oefeneffect op, waarmee bij de interpretatie rekening dient te worden gehouden.

Verschillende auteurs raden deze test aan voor de bepaling van de anaërobe capaciteit bij atleten uit verschillende sportdisciplines: basketbal en volleybal (Hoffman 2002), voetbal (Reilly 1996), en algemeen als test van het anaërobe vermogen (Gore et al. door Patton et al. (1987).
Consensus:
Uitvoering (naar Logan (in Gore 2000), aangepast) :

Specifiek benodigde apparatuur:
Een contactmat, verbonden met een computer, die in staat is contacttijden te berekenen gedurende de test. Op deze contactmat wordt met tape een kader van 80 centimeter op 80 centimeter aangebracht die duidelijk zichtbaar is, en waarbinnen de atleet gedurende de 30 seconden moet landen.

Opwarming:
De opwarming bestaat uit 5 minuten lichte aërobe activiteit (op de loopband of al loslopend indien voldoende ruimte beschikbaar is), eventueel aangevuld door de atleet met aanvullende oefeningen (zie boven). Hierna voert de atleet 2 submaximale oefenpogingen uit, waarbij de atleet telkens 5 keer submaximaal springt met een bewegingsuitvoering zoals tijdens de test zelf vereist is.

Instructie:
Tijdens de opwarming krijgt de atleet volgende instructies:
  • de test dient maximaal te worden uitgevoerd
  • de atleet houdt de handen op de heupen
  • de atleet start met een kniehoek van 90°, in het centrum van de contactmat of het krachtenplatform
  • de atleet beperkt zo veel mogelijk de horizontale en laterale verplaatsingen
  • de atleet springt gedurende 30 seconden zo vaak en zo hoog mogelijk

De testleider

  • telt af van 5 seconden voor de start van de test
  • telt het aantal sprongen dat in 30 seconden wordt uitgevoerd
  • moedigt de atleet verbaal aan om maximaal te presteren aan het begin van de test
  • na 10 en 15 seconden vermeldt de testleider de resterende tijd, gedurende de laatste 10 seconden van de test telt hij of zij de seconden tot het einde van de test af
  • na afloop wordt de bloedlactaatconcentratie gemeten 1, 3 en 5 minuten na de test (Weinstein et al. 1998; Hoffman et al. 2002). Zodra een daling van de bloedlactaatconcentratie wordt opgemerkt, kan worden gestopt met de lactaatmetingen. De atleet dient gedurende deze tijd langzaam te wandelen (eventueel op de loopband).
  • de atleet dient minstens gedurende 7 minuten een cool-down uit te voeren (op de loopband of al loslopend indien voldoende ruimte beschikbaar is), gedurende welke periode de testleider hem van nabij in het oog houdt, om te kunnen ingrijpen mocht de atleet onwel worden.

Output:

  • Totale verplaatsing van het zwaartepunt (in verticale richting)
  • Hoogte hoogste sprong
  • Totaal verrichte arbeid (in verticale richting)
  • Gemiddelde verrichte arbeid
  • Piekarbeid
  • Aantal sprongen
  • Gemiddelde hoogte van de sprongen
  • Lactaatconcentratie 1 minuut, 3 minuten, 5 minuten en 7 minuten na de test
  • Eventuele opmerkingen (uitvoering, motivatie, …)

top


Dopinglijn (nieuw venster)
Koepel Sportvlaanderen.be (nieuw venster)
logo Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media (nieuw venster)
portaalsite Vlaamse overheid (nieuw venster)
nieuwsbrief
inschrijven


Copyright © Vlaamse overheid