Voor cyclische sporten, zoals fietsen,
zwemmen en lopen, waarbij de inspanningsintensiteit
zo goed als constant blijft, is het mogelijk om de
relatieve bijdrage te schatten van elk afzonderlijk
energiesysteem. De energie voor bijvoorbeeld een
100m sprint is voor 50% afkomstig van het ATP-PC-systeem en voor 50% van de anaėrobe glycolyse,
de energiebevoorrading voor een marathon daarentegen
berust volledig op het aėrobe systeem.
Acyclische sporten, zoals voetbal, hebben typisch
een variabele intensiteit. Korte sprints worden
afgewisseld met lopen, joggen, stappen en stilstaan.
Het lijkt aanneembaar dat tijdens een
voetbalwedstrijd alle 3 de energiesystemen een rol
spelen, omdat de intensiteit varieert van laag tot
zeer hoog. Om een idee te krijgen van de
fysiologische vereisten waaraan een voetballer moet
voldoen, is het belangrijk eerst te analyseren wat
er precies in een wedstrijd gebeurt, hoeveel een
speler loopt, hoe snel, hoe groot het herstel is
tussen de verschillende inspanningen, enz.
Aan de hand van hartfrequentieregistratie tijdens de
wedstrijd kan men zich een beeld vormen van de
(aėrobe) inspanningsintensiteit. Via bloedstalen
waarop de melkzuur- of ammoniakconcentratie wordt
bepaald, kan een idee verkregen worden van de
anaėrobe component van de inspanning.
Afgelegde afstand
De hoeveelheid energie die tijdens een
voetbalwedstrijd verbruikt wordt, kan ruwweg geschat
worden aan de hand van de totaal afgelegde afstand.
De energiebron die hiervoor aangesproken wordt,
hangt af van de loopsnelheid.
Veldspelers leggen gemiddeld tussen 8 en 12 km af
per wedstrijd. De afgelegde afstand varieert met de
positie van de speler in de ploeg, waarbij
middenveldspelers de grootste afstand afleggen.
25% van de afstand wordt stappend afgelegd, 37%
joggend, 20% lopend, 11% spurtend en 7% achteruit
stappend. Voor de meeste activiteiten (stappen,
joggen en lopen) wordt het aėrobe energiesysteem
gebruikt, maar deze worden onderbroken door korte,
intensieve inspanningen, die van de anaėrobe
energielevering afhankelijk zijn.
Bewegingen zoals stoppen, draaien, springen, koppen,
tackelen, enz. doen de energiebehoefte stijgen. Elke
wedstrijd vraagt gemiddeld 800 tot 1200
verschillende activiteiten per speler. Minder dan 2%
van de activiteit gebeurt in balbezit.
Tijdsduur
Het patroon van een voetbalwedstrijd wordt ook
uitgedrukt in functie van de tijd. Een wedstrijd
bestaat dan uit korte spurts van 3-5 seconden,
afgewisseld met periodes van lopen of joggen van
30-90 seconden.
89% van de inspanningen zijn zuiver aėrobe
inspanningen en 11% eerder anaėroob. Aangezien de
sprints gemiddeld 3-5 seconden duren, zou men kunnen
besluiten dat de anaėrobe inspanningen voornamelijk
alactisch zijn en vooral afhankelijk van het
ATP-PC-systeem. De variabele inspanningsintensiteit
zal er voor zorgen dat ook de anaėrobe glycolyse een
rol speelt. Deze zou binnen de 3 seconden in werking
treden.
Op te merken valt dat van de 90 minuten speeltijd er
meestal slechts 60 minuten effectief gespeeld wordt.
De overige 30 minuten ligt het spel om diverse
redenen stil.
Hartfrequentie
Voor de bepaling van de aėrobe component van een
wedstrijd is de hartfrequentie een tamelijk
betrouwbare parameter. De meting van de
zuurstofopname zou exactere waarden opleveren, maar
is praktisch niet realiseerbaar.
Er bestaat echter een goede correlatie tussen de
hartfrequentie en de zuurstofopname, zodat men aan
de hand van de hartfrequentiegegevens een goed idee
kan krijgen van de zuurstofopname tijdens een
voetbalwedstrijd.
De gemeten hartfrequenties tijdens een wedstrijd
variėren tussen 155 en 170 slagen per minuut.
Tijdens een voetbalwedstrijd wordt dus gemiddeld aan
80 tot 90% van Hfmax gewerkt, wat overeenkomt met 70
tot 75% van de maximale zuurstofopname.
Natuurlijk zijn er grote interindividuele
verschillen qua aėrobe energieproductie tijdens een
wedstrijd, afhankelijk van de motivatie, de
getraindheid, de tactische richtlijnen en de positie
van de speler.
Melkzuur en ammoniak
Bloedstaaltjes voor de bepaling van melkzuur- en
ammoniakconcentraties in het bloed, kunnen
gemakkelijk tijdens een wedstrijd afgenomen worden.
Ze geven een idee van de anaėrobe component van
inspanning tijdens een wedstrijd.
Bij bloedafnamen tijdens een wedstrijd worden grote
verschillen gevonden in melkzuurconcentraties, zowel
tussen verschillende spelers, als bij eenzelfde
speler op verschillende tijdstippen in de wedstrijd.
De gevonden concentraties variėren van 2 mmol/l, wat
wijst op geringe anaėrobe glycolyse, tot 12 mmol/l,
wat een hoge waarde is.
De duur en de intensiteit van de inspanning die de
speler leverde vlak voor de bloedafname, verklaren
dit grote verschil in melkzuurwaarden. Een speler
voert tussen 20 en 60 spurts uit per wedstrijd. De
tijd tussen 2 opeenvolgende spurts is afhankelijk
van het wedstrijdverloop.
Wanneer in zone verdedigd wordt, zouden ook lagere
melkzuurwaarden gevonden worden, dan bij een
man-op-man verdediging. In de meest recente studies
bevindt de gemiddelde melkzuurconcentratie zich rond
de 4 mmol/l. Dit stemt overeen met een fysieke
inspanning rond de anaėrobe drempel.
Verder is het opvallend dat de melkzuurconcentraties
tijdens de tweede helft van de wedstrijd lager zijn
dan tijdens de eerste helft. Deze resultaten stemmen
overeen met een daling in frequentie en duur van
intensieve inspanningen en een verlaging van de
hartfrequentie tijdens de tweede helft. De lagere
melkzuurwaarden zijn waarschijnlijk ook het gevolg
van een daling van de koolhydraatreserve in de
spieren (glycogeendepletie) die optreedt naar het
einde van de wedstrijd toe.
Ook de ammoniakconcentratie in het bloed stijgt
tijdens een wedstrijd. Ammoniak stijgt voornamelijk
bij zeer intensieve anaėrobe inspanningen of ook bij
een langdurige inspanning met sterke
glycogeendepletie.
Naar analogie met de intensiteit van de inspanning,
de hartfrequentie en de melkzuurconcentratie is de
ammoniakconcentratie in het bloed tijdens de tweede
wedstrijdhelft lager dan tijdens de eerste helft.
Verhoogde melkzuur- en ammoniakwaarden in het bloed
wijzen op het belang van de anaėrobe energielevering
voor voetbal.
Diverse factoren
1. Positie van de speler
De fysieke belasting tijdens de wedstrijd verschilt
naargelang de positie van de speler.
Wanneer de totaal afgelegde afstand wordt
opgesplitst volgens intensiteit, valt op dat het
verschil in gelopen afstand tussen de spelers
voornamelijk door het lopen aan lage snelheid wordt
gemaakt. Middenvelders leggen de grootste afstand
af.
Ook het aandeel van activiteiten zoals springen en
koppen verschilt erg naargelang de positie. Centrale
verdedigers en spitsen zouden bijna dubbel zoveel
springen als flankverdedigers of middenvelders. Voor
koppen zou ongeveer hetzelfde gelden.
De doelman is een geval apart. Hij legt in totaal
ongeveer 4 km af, waarvan 34% wandelend, 27%
joggend, 13% lopend en 1% spurtend. Opmerkelijk is
dat de doelman 25% van de afstand achterwaarts
aflegt. Zijn gemiddelde hartfrequentie tijdens een
wedstrijd is 125 slagen per minuut.
2. Het uithoudingsvermogen
Het bewegingspatroon van een speler is afhankelijk
van zijn uithoudingsvermogen. Hiervoor zijn zowel de
maximale zuurstofopname als het percentage van de
maximale zuurstofopname waaraan langere tijd kan
gepresteerd worden van belang.
De VO2max bedraagt gemiddeld 60ml/kg/min.
Middenvelders hebben het beste uithoudingsvermogen
en leggen ook meer afstand af. Centrale verdedigers
scoren qua uithoudingsvermogen gemiddeld duidelijk
zwakker, terwijl flankverdedigers en spitsen er
tussenin scoren.
Tijdens een voetbalwedstrijd wordt gemiddeld aan 75%
van de maximale zuurstofopname gewerkt. Dit komt
ongeveer overeen met de anaėrobe drempel.
Er bestaat niet alleen een sterk verband tussen de
maximale zuurstofopname en de totaal afgelegde
afstand tijdens een wedstrijd, maar ook tussen
zuurstofopname en het aantal spurts dat een speler
uitvoert. Hoe beter het uithoudingsvermogen is, hoe
sneller het herstel na een spurt kan gebeuren.
De vraag kan echter gesteld worden of een ploeg
bestaande uit allemaal spelers met een hoge maximale
O2-opnamecapaciteit betere resultaten zou behalen.
Het succes van een ploeg is niet alleen afhankelijk
van het uithoudingsvermogen van de spelers, maar ook
van hun technische capaciteiten en hun tactisch
inzicht.
3. Vermoeidheid
Vermoeidheid speelt een rol in het bewegingspatroon
van een speler in de loop van een wedstrijd. Wanneer
de eerste helft van een wedstrijd vergeleken wordt
met de tweede helft, ziet men dat de spelers in de
eerste helft ongeveer 5% meer afstand afleggen en
meer spurten dan in de tweede. Dit verschil is
kleiner naargelang het uithoudingsvermogen van de
speler beter is.
Het optreden van vermoeidheid tijdens een wedstrijd
houdt verband met de voedingsstatus. Uit onderzoek
blijkt dat spelers met een lager glycogeengehalte in
de dijbeenspieren voor de wedstrijd, 25% minder
afstand afleggen in vergelijking met spelers met een
hoger glycogeengehalte.
Niet alleen de afgelegde afstand, maar ook de
loopsnelheid verschilt significant. Spelers met een
laag glycogeengehalte leggen 50% van de afgelegde
afstand wandelend af en slechts 15% aan hoge
snelheid, terwijl dit respectievelijk 27% en 24%
bedraagt bij de spelers met een grote
glycogeenvoorraad. Een optimale glycogeenvoorraad is
dan ook primordiaal om tijdens de wedstrijd goed te
presteren.

Figuur 1: Het aantal gescoorde doelpunten
opgesplitst per 5-minutenperiode.
Het is opvallend dat aan het einde van de wedstrijd
meer doelpunten gescoord worden. De spelers worden
moe en maken meer fouten. Een optimale conditie die
de spelers toelaat 90 minuten op een hoog niveau te
presteren, zal op lange termijn altijd renderen.
4. De spelstijl
Sinds het ontstaan van de Football Association in
1863 is het tactische spelconcept van voetbal
constant aangepast.
Sinds de jaren 70 (Ajax, Nederland) komt men steeds
meer tot totaalvoetbal. Idealiter moeten alle
spelers de eisen van de verschillende posities
kunnen invullen. Zo komt men tot een meer gelijke
verdeling van de inspanningen. Wanneer vroeger
voornamelijk de middenvelders fysieke inspanningen
leverden, worden de inspanningen nu homogener
verdeeld.
Figuur 2 geeft het percentage van de tijd weer dat
de spelers op de verschillende posities liepen in de
teams van Union Saint Gilloise 1966 en Anderlecht
1982. Hieruit blijkt enerzijds dat het verschil
tussen de posities kleiner geworden is. Er is dus
een duidelijke homogenisatie van de
arbeidsverdeling.
Anderzijds merkt men een duidelijke toename van de
fysieke component in het hedendaags voetbal. Spelers
zijn meer in beweging en het voetbal wordt steeds
dynamischer. Van een statisch voetbal in de
beginjaren is het voetbal dynamischer geworden.
U.S.G. 1966
| 4 |
23 |
19 |
19 |
23 |
| 2 |
|
35 |
35 |
|
| 4 |
24 |
16 |
16 |
24 |
Anderlecht 1982
| 2 |
30 |
|
|
|
30 |
| 3 |
37 |
|
26 |
|
37 |
| 4 |
28 |
26 |
|
26 |
28 |
| 1 |
|
|
17 |
|
|
Figuur 2: Totale looptijd tijdens de
wedstrijd voor de verschillende posities.
Hoe hoger het tempo van de wedstrijd is, hoe
belangrijker het aandeel van de anaėrobe glycolyse
wordt. Het ATP-PC-systeem levert energie voor
maximale inspanningen met voldoende lange
recuperatietijd. Voor korter opeenvolgende
submaximale inspanningen is energie van de anaėrobe
glycolyse nodig.
De spelstijl, het spelniveau en de voetbalcultuur
bepalen mee de fysiologische vereisten van het
voetbal.
5. Omgevingsfactoren
Vanzelfsprekend wordt de fysieke belasting tijdens
een wedstrijd beļnvloed door de omgevingsfactoren.
Spelen op een in een modderpoel herschapen veld
zal natuurlijk een andere fysieke belasting
betekenen dan spelen op bijv. een kunstgrasveld.
Ook de weersomstandigheden spelen een rol.
Tijdens de wereldkampioenschappen in de Verenigde
Staten (1994) werd bij extreem hoge temperaturen en
vochtigheidsgraad gevoetbald, met risico op
dehydratatie en hitteslag. Acclimatisatie voor het
tornooi en voldoende vochtinbreng voor en tijdens de
wedstrijd kunnen het prestatieniveau in dergelijke
omstandigheden gunstig beļnvloeden.
Ook hoogte speelt een rol. In Mexico
(wereldkampioenschappen in 1970 en 1986), dat op
2300 meter hoogte ligt, is de maximale
zuurstofopname van een speler 15% lager dan op
zeeniveau en de prestatie op een 5000 meterloop 9%
slechter dan op zeeniveau. Na een maand hoogtestage
zijn de verschillen respectievelijk nog 9 en 6%.
Verder is het thuisvoordeel nog het vermelden
waard. In de Engelse competitie worden 64% van de
punten door de thuisploeg gehaald. Nochtans vindt
men geen verschil in fysieke prestatie (afgelegde
afstand, spurts,
) bij thuis- of uitwedstrijden.
Besluit
Voetbal is een complex spel dat een aantal
specifieke fysiologische eisen stelt aan de spelers.
Een goed aėroob vermogen: spelers leggen
gemiddeld 11 km per wedstrijd af. Gemiddeld wordt
aan 70 tot 75% van de maximale zuurstofopname
gewerkt. De gemiddelde melkzuurconcentraties van ± 4
mmol /l en verhoogde ammoniakconcentraties tijdens
de wedstrijd wijzen ook op intensieve aėrobe
inspanningen afgewisseld met maximale anaėrobe
inspanningen. Een goed uithoudingsvermogen is ook
zeer belangrijk om van de geleverde anaėrobe
inspanningen vlot te kunnen recupereren.
Een goed anaėroob alactisch vermogen: 12%
van de inspanningen tijdens een wedstrijd zijn
spurts die gemiddeld 4 seconden duren. De
(reactie)snelheid beslist meestal over balbezit of
niet.
De snelkracht dient optimaal te zijn: om te
spurten, tackelen, dribbelen, schieten, enz. is de
snelkracht van primordiaal belang.
Deze gegevens vormen een basis om fysieke
trainingsprogrammas op te stellen aan de hand van
protocols waarbij deze voor voetbal belangrijke
parameters gemeten worden.
|