|
Prof. Jan Bourgois, Ph.D.
Centrum voor Sportgeneeskunde Universitair
Ziekenhuis Gent,
De Pintelaan 185, B-9000 Gent
Vakgroep Revalidatiewetenschappen en
Kinesitherapie Universiteit Gent,
De Pintelaan 185, B-9000 Gent |
Bewegen is noodzakelijk
Gezondheid is niet alles, doch alles is
niets zonder gezondheid (Schopenhauer). We
raken in Vlaanderen steeds verder achterop als het
gaat om gezondheid. Ons ongezonde gedrag is
hierbij de grote boosdoener. We investeren momenteel
flink in ongezondheid. De trends zijn zorgwekkend
als het gaat om verontreiniging van het leefmilieu,
roken, overmatig alcoholgebruik, slechte
voedingsgewoonten, stress en een tekort aan beweging
(fysieke activiteit en sport). De afgelopen decennia
zien we echter dat verschillende negatieve trends
met betrekking tot gezondheid (fysieke inactiviteit
bij kinderen, obesitas-epidemie, veroudering van
onze populatie en toename van de chronische ziekten)
zich aan het doorzetten zijn, waardoor niet alleen
het individu, maar ook de maatschappij (lees Sociale
zekerheid) onder druk komen te staan.
Vroeger was bewegen een onderdeel van het
overleven. De afgelopen jaren is echter
meermaals wetenschappelijk aangetoond geworden dat
het gemiddelde activiteitsniveau van de bevolking
progressief daalt terwijl lichamelijke inactiviteit
net een gezondheidsbedreigende factor is. Onze
hedendaagse werk- en leefpatronen in onze
maatschappij doen steeds minder beroep op het
fysieke vermogen van de mensen. Deze teruggang in
bewegingsmogelijkheden wordt beschouwd als een
belangrijke risicofactor voor het ontstaan van de
zogenaamde welvaartsziekten (hart- en vaatziekten,
obesitas, diabetes type 2, kanker(?), sarcopenia,
syndroom
X). In dit kader is het bovendien opvallend dat een
preventieve attitude (lichaamsbeweging) in onze
cultuur nog niet echt is ingeburgerd.
Er zijn in literatuur voldoende argumenten gekend
die ervoor pleiten dat fysieke activiteit de
noodzakelijke voorwaarde is opdat het menselijk
lichaam normaal zou kunnen functioneren. Indien
fysieke activiteit en sport geen waarborg zijn om
langer te leven, kan het echter wel de voorwaarden
scheppen om in de meest optimale omstandigheden oud
te worden. Regelmatige fysieke activiteit is dan ook
van fundamenteel belang in een gezonde levenswijze
en om een hoge levenskwaliteit te behouden. Het zich
wapenen tegen de gevaren van een sedentaire
levenswijze, de bezorgdheid voor de gezondheid en de
ongrijpbare droom van de eeuwige jeugd zijn de
belangrijkste beweegredenen die mensen ertoe
aanzetten om te bewegen (sport beoefenen).
Lichamelijke inspanning heeft een gunstig effect op
de lichaamsconditie. Een beetje extra beweging naast
de dagdagelijkse activiteiten (huishouden, werk,
)
kan ervoor zorgen dat men de conditie opbouwt en dat
het lichaam op een aangenaam niveau blijft
functioneren en presteren. Beweging doet het risico
op de zogenaamde welvaartziektes dalen en maakt je
weerbaarder tegen ziekten en kenmerken van het ouder
worden. Lichaamsbeweging heeft echter niet enkel
gunstige lichamelijke effecten. Ook de geest vaart
er wel bij. Het doorbreken van de dagelijkse sleur
en, in veel gevallen, de nieuwe sociale contacten,
zorgen immers voor een beter humeur. Extra
lichaamsbeweging zorgt ervoor dat je je beter voelt
en meer van het leven geniet.
Wanneer je eenmaal hebt besloten te gaan sporten,
worden we allemaal geconfronteerd met de vraag: ja,
goed en wel, maar hoe beginnen we eraan? Bovendien
is het niet enkel belangrijk dat je begint met
bewegen, maar nog belangrijker is dat je het
volhoudt. Het is dus belangrijk dat je een
bewegingsvorm of sport vindt die je aangenaam en
uitdagend vindt.
Elementaire beginselen van het trainingsproces
Deskundigen en experts in het domein van de sport-
en bewegingswetenschappen hebben over de jaren heen,
vanuit wetenschappelijk onderzoek, duidelijke
algemene en specifieke richtlijnen omschreven die
elke beginnende en gevorderde sporter zou moeten
kennen en respecteren. De praktijk bewijst echter
het tegendeel. Veel mannen en vrouwen hebben de
neiging om hun capaciteiten te overschatten, wat
verkeerd kan uitpakken. Door te veel en/of te
intensief te sporten kan het lichaam op allerlei
manieren overbelast worden Er is het slechte gevoel
onmiddellijk na de inspanning. Ondanks alle energie
die je er in stopt, is er de geringe vordering in de
lichamelijke conditie. En in het slechtste geval
word je geconfronteerd met overbelastingsletsels,
ontstekingen en ziekte. Het enthousiasme bij het
starten van lichaamsbeweging en sport krijgt een
flinke deuk, om tenslotte een stille dood te
sterven.
Het begrip conditie is een
multidimensioneel concept waar het
uithoudingsvermogen, de kracht, de snelheid en
de lenigheid (ook de 4 lichamelijke
basiseigenschappen genoemd) deel van uitmaken.
De verschillende basiseigenschappen mogen niet
als geļsoleerde factoren beschouwd worden. Zij
overlappen elkaar of vormen door combinaties
nieuwe subeigenschappen (Tabel 1).
Tabel 1: De 4 lichamelijke
basiseigenschappen
1. Uithoudingsvermogen:
is het vermogen om dynamische of statische
arbeid zo lang mogelijk vol te houden en wordt
bepaald door het aanpassingsvermogen van het
cardiorespiratorisch systeem.
2. Kracht: is de eigenschap van de spier
om door het ontwikkelen van spanning tegen een
uitwendige weerstand samen te trekken en wordt
bepaald door het aanpassingsvermogen van het
spierstelsel.
3. Snelheid: is de eigenschap om
bewegingen in optimale tijdseenheden uit te
voeren en is de resultante van de wisselwerking
tussen spier- en zenuwstelsel.
4. Lenigheid: is de eigenschap om
bewegingen met een zo groot mogelijke amplitude
uit te voeren en wordt bepaald door de
actieradius van het spier-peessysteem. |
Bij het uithoudingsvermogen hebben we het
meestal over het cardiorespiratorisch (hart en
longen) uithoudingsvermogen. Dit is het
uithoudingsvermogen om bloed en zuurstof te leveren
aan de spieren. Het is de eigenschap die toelaat dat
men een inspanning zo lang mogelijk kan volhouden.
Het cardiorespiratorisch uithoudingsvermogen is
misschien wel de belangrijkste componente van de
conditie. Bovendien is er in de wetenschappelijke
literatuur voldoende evidentie waaruit blijkt dat
het uithoudingsvermogen een gezondheidsbevorderende
eigenschap is. In deze context zullen we dan ook de
termen conditie en conditieopbouw hoofdzakelijk
associėren met de basiseigenschap
uithoudingsvermogen. Het ontwikkelen van het
uithoudingsvermogen is echter slechts een onderdeel
van een totaalprogramma waar ook kracht, lenigheid
en snelheid deel van uitmaken.
Wie aan zijn conditie wil werken (= trainen),
moet een aantal richtlijnen volgen. Het zijn de
noodzakelijke voorwaarden om een gunstig (trainings-)effect
te ervaren. Conditie opbouwen is een langdurig
proces waarbij de veelgehoorde spreekwoorden Afzien
is een discipline en No pain, no gain uit den
boze zijn. In deze bijdrage willen we een overzicht
geven van de verschillende aspecten die belangrijk
zijn om op een verantwoorde wijze de conditie op te
bouwen. In een eerste deel willen we de lezer de
elementaire beginselen van het trainingsproces
bijbrengen. Uitgaande van deze elementaire
beginselen zullen we algemene en praktische
richtlijnen formuleren om de conditie op te bouwen.
Het begrip training wordt in het algemene
spraakgebruik voor de meest uiteenlopende gebieden
gebruikt. Training is een oefenproces waarmee
een verbetering in een welbepaald doelgebied wordt
nagestreefd. Zo kan men oog hebben voor het
verbeteren van de fysieke conditie en kunnen we
training definiėren als een planmatig proces dat een
positieve verandering van verschillende aspecten van
de conditie beoogt of bewerkstelligt.
Trainen is een doelgericht proces waarbij
belasting (inspanning) en het herstel
(recuperatie, rust) centraal staan.
Trainingsprikkels (de opgelegde belasting) verstoren
het interne milieu van het menselijk lichaam. Deze
verstoring van het interne milieu is de oorzaak van
aanpassingsreacties (adaptaties) van de in
werking gezette systemen tijdens de herstelfase (ną
de inspanning). Het trainingsproces wordt beheerst
door de biologische wetmatige wisselwerking tussen
de optimale dosering van de lichamelijke belasting
en het herstel van het lichaam ną de inspanning.
Trainen is zwaar werk voor het lichaam. De juiste
verhouding tussen inspanning en herstel is dan ook
van primordiaal belang in de conditieopbouw. Herstel
is even belangrijk als de eigenlijke inspanning om
een trainingseffect te bekomen, en dat is nu net wat
de meeste sporters vergeten.
De duur van het herstel tussen 2 opeenvolgende
belastingen wordt hoofdzakelijk bepaald door de aard
(Welke activiteit?), de intensiteit (Hoe zwaar?), de
duur (Hoe lang?) en de frequentie (Hoe vaak?) van de
inspanning en de fysieke conditie van het individu
(hoe beter de conditie, des te sneller is het
herstel). Hiertoe werden door bewegings- en
sportwetenschappers reeds herhaaldelijk richtlijnen
geformuleerd, doch het subjectief aanvoelen van de
herstelduur is een even belangrijk gegeven.
Voor het bereiken van een optimaal trainingseffect
(adaptatie + stabilisatie) is het noodzakelijk dat
de belasting meerdere malen wordt herhaald. Hiervoor
is een minimale biologisch periode van 4 6 weken
noodzakelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat
de beginnende sporter het effect van zijn/haar
arbeid pas anderhalve maand na aanvang van zijn/haar
training voelt.
Aan de aanpassing van het lichaam aan regelmatige
lichamelijke belasting zijn een aantal
trainingsprincipes ontleend (Tabel 2).
Trainingsprincipes zijn algemeen gehanteerde
aanwijzingen voor het trainingsproces. Het zijn geen
regels of wetten in de enge zin, maar zijn gebaseerd
op biologisch ondersteunde feiten en
trainingspraktische ervaringen.
Tabel 2: Overzicht van de trainingsprincipes
1. Het principe van de
werkzame belastingsprikkel: de
belastingsintensiteit moet een bepaalde drempel
overschrijden om een trainingseffect (adaptatie)
te verkrijgen en dus werkzaam te zijn.
2. Het principe van progressieve belasting en
de verminderde meeropbrenst: een
progressieve toename van de omvang en
intensiteit van de belasting in de loop van het
trainingsproces is noodzakelijk om een
voortdurende toename van het prestatievermogen
te hebben. In het begin zal het trainingseffect
spectaculair zijn, doch naarmate het
prestatieniveau toeneemt wordt de winst steeds
kleiner.
3. Het principe van de optimale afstemming
van belasting en herstel: na een effectieve
belastingsprikkel is een bepaalde tijd nodig
voor herstel, om een volgende trainingsbelasting
onder gunstige omstandigheden te kunnen
afwerken.
4. Het principe van omkeerbaarheid:
trainingseffecten gaan geleidelijk aan verloren
wanneer je een tijdje stopt met trainen.
5. Het principe van specificiteit: het
lichaam past zich aan naar de aard van de
belasting, waarbij de grootste veranderingen in
het lichaam plaats vinden in die organen en
celstructuren die de trainingsprikkel hebben
ondergaan.
6. Het principe van individualiteit: voor
een optimale ontwikkeling van het
prestatievermogen is het van belang rekening te
houden met de persoonlijke karakteristieken van
het individu, met name de leeftijd, de door
aanleg bepaalde lichamelijke mogelijkheden en de
meer door de omgeving beļnvloedbare psychische
eigenschappen. |
Het principe van de werkzame belastingsprikkel en
het principe van de progressieve belasting en de
verminderde meeropbrengst zorgen voor het in
werking treden van de adaptatie. De principes
van de optimale afstemming van belasting en herstel
en van omkeerbaarheid hebben betrekking op het
waarborgen van de adaptatie. De principes van
specificiteit en van individualiteit sturen de
adaptatie in een specifieke richting.
Uitgaande van deze elementaire beginselen van het
trainingsproces, kunnen we stellen dat het verwerven
van een trainingseffect een zeer complex gegeven is.
De boodschap uit voorgaande gegevens geeft duidelijk
aan dat de belasting of de trainingsprikkel op zich
niet de enige of de belangrijkste factor is om een
positief trainingseffect te ervaren. Verkeerdelijk
leeft bij vele personen het misverstand dat de
inspanning en hoe intenser hoe beter - het
belangrijkste element is voor het verbeteren van de
conditie. Niets is minder waar. Een juiste dosering
van de belasting in combinatie met een optimaal
herstel na de inspanning is des te belangrijker. Het
respecteren van de trainingsprincipes is een
conditio sine qua non om op een verantwoorde wijze
de conditie op te bouwen.
Conditieopbouw in de praktijk:
algemene en specifieke richtlijnen
1. Voorafgaande voorwaarden
Het deelnemen aan fysieke activiteiten door jongeren
en jong volwassenen in goede gezondheid houdt in
principe weinig risico in en vereist ook geen
uitgebreid medisch onderzoek. Preventief kan men een
elektrocardiogram laten afnemen door de huisarts om
mogelijke symptomen van een onderliggende hartziekte
op te sporen. Vanaf de leeftijd van 35 jaar
of wanneer de beginnende sporter (< 35 jaar)
gedurende de laatste 5 jaar geen of weinig
lichaamsbeweging heeft gehad en/of overgewicht of
symptomen van een ziekte vertoont is een
uitgebreid medisch onderzoek wenselijk. Dit
onderzoek is gericht naar het opsporen van mogelijke
risicofactoren. Het omvat de registratie van de
lichaamslengte, het lichaamsgewicht en het
vetpercentage, de afname van een elektrocardiogram,
het meten van de bloeddruk, een bloedanalyse, een
orthopedisch onderzoek en een urineanalyse. Een
inspanningstest onder gestandaardiseerde voorwaarden
kan relevante informatie geven met betrekking tot de
acute (onmiddellijke) aanpassingen van het lichaam
aan inspanning, alsook met betrekking tot de
conditieopbouw. Het advies van een expert in de
bewegings- en sportwetenschappen kan u helpen bij
het zoeken naar een geschikte fysieke activiteit,
alsook bij het opstellen van een verantwoord
trainingsschema.
2. Welke bewegingsactiviteit kiezen?
De aard van de activiteit zal in belangrijke mate
het trainingseffect bepalen. Cyclische
(ritmisch herhalen van bewegingen) sporten,
die continu gedurende langere tijd
kunnen worden volgehouden en welke een groot deel
van de spiermassa activeren, komen hiervoor in
aanmerking. Bijzonder geschikt zijn lopen (joggen),
zwemmen, fietsen, roeien, skilanglauf,
inline-skating, en schaatsen. Hierbij worden
voldoende grote spiergroepen geactiveerd en kan de
inspanning continu en onder aėrobe (met zuurstof)
voorwaarden worden doorgevoerd. Bij zwemmen, fietsen
en roeien wordt het lichaamsgewicht daarenboven
gedragen, wat vele voordelen biedt bij zware
individuen of individuen die orthopedische klachten
hebben. Ook voetbal, tennis, basketbal, handbal,
squash,
hebben hun grote verdiensten, en wellicht
dat sommigen dit plezieriger vinden om te doen. Doch
gezien het intermittente karakter (grote wisselingen
in intensiteit) van deze activiteiten lijken ze toch
minder geschikt voor het opbouwen van de conditie.
3. Oefenmodaliteiten?
Het effect van de training wordt bepaald door de
intensiteit, de duur van elke belasting en de
frequentie per week. Volgende voorwaarden volstaan
voor een gunstig effect op de conditie.
a. Intensiteit
De intensiteit van de inspanning blijkt de
determinerende factor te zijn om een trainingseffect
te ervaren. De hartfrequentie is een goede
parameter om de intensiteit van een inspanning in te
schatten. De meest correcte methode om de
hartfrequentie tijdens inspanning te meten, is het
gebruik van een sporttester (micro-computer
methode). Gebruikmakend van een soort polshorloge
(ontvanger) en een borstband (zender) kan continu de
hartfrequentie tijdens inspanning worden afgelezen.
Het is natuurlijk ook mogelijk om de hartfrequentie
te registreren door de hartfrequentie te tellen met
middel- en wijsvinger ter hoogte van de slagaders
van de pols of de hals gedurende een bepaalde
tijdsperiode (6, 10 of 15 seconden). Door het aantal
slagen dan te vermenigvuldigen met respectievelijk
10, 6 of 4 bekomt men de hartfrequentie in slagen
per minuut. De nadelen van deze methode zijn dat de
inspanning moet worden stopgezet voor het tellen
(hartfrequentie is reeds lager in vergelijking met
de inspanning) en dat juist en nauwkeurig tellen
(bij zeer snelle hartfrequenties) vaak moeilijk is.
De zone waarin de hartfrequentie kan variėren om een
oefeneffect te bekomen, noemt men de
trainingsgevoelige zone. De intensiteit moet
schommelen tussen 60 en 80% (Tabel 4:
fitheids- en aėrobe zone) van de maximale
hartfrequentie (HFmax). Zolang de hartfrequentie
in deze zone ligt, ervaart men een oefeneffect.
Hierbij dient men wel rekening te houden met het
feit dat de hartfrequentie tijdens inspanning
sportspecifiek (afhankelijk van de
sportdiscipline) is. Zo ligt de maximale
hartfrequentie bij zwemmen nagenoeg 10 15
slagen/minuut lager dan bij lopen. Een verschil in
maximale hartfrequentie wordt ook waargenomen
wanneer men lopen en fietsen vergelijkt. De maximale
hartfrequentie bij het lopen ligt 5 ą 10
slagen/minuut hoger dan bij het fietsen. Dit
verschil is gedeeltelijk toe te schrijven aan de
grootte van de gemobiliseerde spiermassa die kleiner
is bij het fietsen in vergelijking met het lopen.
Bovendien zou bij het fietsen vlugger lokale
vermoeidheid optreden waardoor een individu
cardiovasculair niet maximaal wordt belast. De
maximale hartfrequentie bij lopen, roeien en
skilanglauf zijn vergelijkbaar. Hetzelfde geldt voor
fietsen, schaatsen en inline-skating. Het bepalen
van de trainingshartfrequentie als een procent van
de maximale hartfrequentie heeft als voordeel dat
men enkel de maximale hartfrequentie van het
individu moet kennen tijdens de sportspecifieke
inspanning.
De veiligste en meest aanbevolen methode om de
maximale hartfrequentie op een directe manier te
bepalen, is uw sportarts of een Sport Medisch
Centrum om een inspanningstest en een
evaluatie van uw gezondheid te vragen (zie ook 1.
Voorafgaande voorwaarden). Eventueel kan bij
dergelijke test interessante bijkomende gegevens
worden verkregen met betrekking tot uw conditionele
toestand (maximale zuurstofopname, anaėrobe
drempel,
) en de optimale trainingsintensiteit. De
bepaling van de maximale hartfrequentie kan ook
indirect gebeuren vanuit rekenkundige formules
(voornamelijk leeftijdsgerelateerde formules). De
nauwkeurigheid hiervan moeten we echter in vraag
stellen. Grote individuele variaties (erfelijke
aanleg) binnen een bepaalde leeftijdsgroep zijn
mogelijk (afwijkingen van een tiental slagen/minuut
zowel naar boven als naar onder: biologische
variabiliteit) en bovendien zijn ze niet
sportspecifiek. Het bepalen van de maximale
hartfrequentie vanuit rekenkundige formules en het
afbakenen van de trainingsgevoelige zones vanuit de
geschatte maximale hartfrequentie, kunnen nuttig
zijn bij beginners en mensen die revalideren (Tabel
3). Er dient echter steeds een veiligheidsmarge te
worden ingebouwd gezien bovenvermelde biologische
variabiliteit en sportspecificiteit.
Tabel 3: Leeftijdsgerelateerde formule voor
het bepalen van de maximale hartfrequentie (HFmax)
|
Vrouwen |
HFmax
(slagen/minuut) = 226 leeftijd |
|
Mannen |
HFmax
(slagen/minuut) = 220 leeftijd |
Verschillende andere leeftijdsgerelateerde
rekenkundige formules worden gebruikt om de maximale
hartfrequentie indirect te bepalen en de
trainingsgevoelige zone af te bakenen. Gezien het
buiten de scoop van dit artikel ligt om alle
methoden op te sommen, verwijzen we hiervoor naar
het boek Basis voor verantwoord trainen (J.
Vrijens, J. Bourgois & M. Lenoir; Publicatiefonds
voor Lichamelijke Opvoeding vzw, 2001).
Uiteraard zal men na verloop van tijd, wanneer de
conditie op een hoger peil ligt, ook aan hogere
intensiteiten (Tabel 4: anaėrobe - en
uitputtingszone) moeten trainen om een verder
oefeneffect te bekomen. Uitgaande van een percentage
van de maximale hartfrequentie kan men 5
verschillende trainingszones afleiden, die in
een later stadium van de conditieopbouw relevante
informatie kunnen geven met betrekking tot het
samenstellen en optimaliseren van het
trainingsschema (Tabel 4). Het aandeel van de
verschillende trainingszones in het totale
trainingsprogramma zal hierbij uitermate belangrijk
zijn om het gewenste oefeneffect te bereiken en
overtraining en/of kwetsuren te vermijden. Het is
dan ook aangewezen om een expert in de trainingsleer
hieromtrent te raadplegen.
Tabel 4: Overzicht van de trainingszones (% HFmax)
| Trainingszone
|
%Hfmax |
Gewichtscontrole
Fitheid
Aėroob
Anaėroob
Uitputting |
50 60
60 70
70 80
80 9090 100 |
b. Duur
Voor de beginners is het aangeraden om lichte
inspanningen (lage intensiteit) te leveren die
dan wel iets langer kunnen worden aangehouden. Hoe
lang is echter niet goed geweten. Bij beginners
dient de belasting zolang te duren als mogelijk
zonder dat er klachten optreden. Er kan begonnen
worden met intervalbelasting. Zo kunnen bij
het lopen afwisselend wandelpauzes worden
ingeschakeld, waarvan de duur afhankelijk zal zijn
van het persoonlijke prestatievermogen. De tijdsduur
per trainingssessie wordt progressief
verhoogd (nooit meer dan 10% van de week vooraf). De
training dient plezier te brengen en geen bijkomende
stress binnen het dagelijkse leven.
Na een opbouwperiode varieert de duur van elke
training tussen 25 en 60 minuten. De duur
van elke training zal hoofdzakelijk bepaald worden
door de intensiteit van de belasting. Bij een lage
intensiteit dient men 45 tot 60 minuten te trainen.
Bij een hogere intensiteit volstaan 25 tot 30
minuten. De duur van elke training wordt echter ook
bepaald door de trainingsfrequentie (aantal
trainingen per week).
c. Frequentie
Het optimaal aantal trainingen per week (trainingsfrequentie)
schommelt tussen 3 en 5 sessies. De
trainingsfrequentie zal hoofdzakelijk bepaald worden
door de intensiteit en de duur van elke training.
Als algemene regel kun je stellen dat intensieve en
lange trainingen een langer herstel vragen dan
lichte en eerder korte trainingen. Bovendien is een
trainingsperiode van tenminste 7 tot 8 weken
noodzakelijk vooraleer een trainingseffect kan
worden vastgesteld.
Het is noodzakelijk dat men regelmatig blijft
trainen om een trainingseffect te behouden.
Wanneer men stopt met trainen zal het conditioneel
niveau reeds na 2 weken merkelijk gedaald zijn. Hoe
lang het duurt vooraleer elk trainingseffect is
verdwenen, zal afhangen van het conditionele
prestatievermogen bij het stopzetten van de
training. Gemiddeld kun je stellen dat 8 - 10 weken
na het stopzetten van de training elk
trainingseffect verdwenen is.
d. Voorbeeld trainingsprogramma voor beginners
(lopen)
Als voorbeeld nemen we een programma lopen voor
beginners over een periode van 12 weken (Tabel
5).
Tabel 5: Loopprogramma voor beginners
Week 1
T1: 30 minuten flink doorwandelen
T2: 1 minuut wandelen, 1 minuut lopen: 6x
T3: 1 minuut wandelen, 1 minuut lopen: 8x
Week 2
T1: 2 minuten wandelen, 2 minuten lopen: 4x
T2: 2 minuten wandelen, 2 minuten lopen: 5x
T3: 2 minuten wandelen, 3 minuten lopen: 4x
Week 3
T1: 2 minuten wandelen, 3 minuten lopen: 4x
T2: 2 minuten wandelen, 3 minuten lopen: 4x
T3: 3 minuten wandelen, 3 minuten lopen: 4x
Week 4
T1: 3 minuten wandelen, 3 minuten lopen: 4x
T2: 3 minuten wandelen, 3 minuten lopen: 5x
T3: 2 minuten wandelen, 4 minuten lopen: 4x
Week 5
T1: 2 minuten wandelen, 4 minuten lopen: 5x
T2: 2 minuten wandelen, 5 minuten lopen: 4x
T3: 2 minuten wandelen, 4 minuten lopen: 5x
Week 6
T1: 2 minuten wandelen, 5 minuten lopen: 5x
T2: 2 minuten wandelen, 4 minuten lopen: 6x
T3: 2 minuten wandelen, 5 minuten lopen: 5x
Week 7
T1: 2 minuten wandelen, 5 minuten lopen: 5x
T2: 2 minuten wandelen, 5 minuten lopen: 6x
T3: 2 minuten wandelen, 6 minuten lopen: 5x
Week 8
T1: 2 minuten wandelen, 6 minuten lopen: 5x
T2: 2 minuten wandelen, 6 minuten lopen: 4x
T3: 2 minuten wandelen, 6 minuten lopen: 6x
Week 9
T1: 2 minuten wandelen, 7 minuten lopen: 4x
T2: 2 minuten wandelen, 8 minuten lopen: 4x
T3: 2 minuten wandelen, 7 minuten lopen: 5x
Week 10
T1: 2 minuten wandelen, 8 minuten lopen: 5x
T2: 2 minuten wandelen, 10 minuten lopen: 3x
T3: 2 minuten wandelen, 7 minuten lopen: 6x
Week 11
T1: 2 minuten wandelen, 10 minuten lopen: 4x
T2: 2 minuten wandelen, 12 minuten lopen: 3x
T3: 2 minuten wandelen, 10 minuten lopen: 4x
Week 12
T1: 2 minuten wandelen, 12 minuten lopen: 4x
T2: 2 minuten wandelen, 15 minuten lopen: 3x
T3: 2 minuten wandelen, 5 minuten lopen: 2x,
2 minuten wandelen, 20 minuten lopen: 1x
|
Dit loopprogramma is progressief opgebouwd.
Een beginnend loper zal afwisselend wandelen en
lopen en dit 3x per week (verspreid over
de week, om de andere dag). Week na week wordt de
loopduur opgedreven. Vanaf de 13de week kan men dan
continu lopen gedurende 25 30 minuten, en dit 3x
per week. Week na week mag de tijdsduur, niet de
intensiteit, opgedreven worden (nooit meer dan 10%
per week). Van belang is dat je constant loopt en
niet te snel. Je moet nog kunnen praten tijdens het
lopen. De hartfrequentie tijdens het lopen mag hier
schommelen tussen 60 en 80% van de maximale
hartfrequentie (60 80% Hfmax). Loop zoveel
mogelijk op plaatsen waar de ondergrond niet te hard
is (bos, park, Finse piste, strand,...) om kwetsuren
te vermijden.
4. Nuttige tips
a. Dagboek
Het bijhouden van een dagboekje werkt vaak
motiverend om de trainingen vol te houden. Hierin
kun je opschrijven welke activiteit je elke dag hebt
uitgevoerd, hoe lang en hoe intensief. Je kunt ook
het gevoel dat je hebt ervaren tijdens en na de
training noteren: vandaag goed gelopen, voelde
lekker aan of het was zwaar, ik had het gevoel niet
vooruit te komen, of na de training voelde ik een
stekende pijn in de linker kuit. Ook de
weersomstandigheden kun je hierin vermelden:
bewolkt, regen, zonneschijn, zeer warm, koud
b. Registratie van het lichaamsgewicht en de
hartfrequentie in rust
Het lichaamsgewicht en de hartfrequentie in rust
kunnen zeer relevante informatie geven met
betrekking tot de adaptatie (aanpassing) aan
training. Het is aangewezen om éénmaal per week je
lichaamsgewicht te bepalen. Dit doe je best
altijd op dezelfde dag (niet onmiddellijk na het
weekend, maar bijvoorbeeld op woensdagmorgen) voor
het ontbijt maar na de stoelgang. Ook dagelijkse
registratie van de hartfrequentie in rust
(smorgens vroeg, een 5-tal minuten na het ontwaken
terwijl je nog neerligt op het bed) is aangewezen.
Grote schommelingen in het lichaamsgewicht
(vooral een plotse daling: > 1.0 kg per week) en de
hartfrequentie in rust (plotse stijging gedurende
een 3-tal dagen: > 5 slagen/minuut) kunnen wijzen op
een verminderde adaptatie aan training. Het
terugschroeven van de intensiteit van de training of
een extra rustdag (herstel) invoeren is dan gewenst.
Het lichaamsgewicht en de hartfrequentie in rust
kunnen opgeschreven worden in het trainingsdagboek.
Zo kun je de evolutie van deze parameters volgen
over een bepaalde tijd en de training bijsturen.
c. Warming-up en cooling-down zijn noodzakelijk
Voor het optimaal verloop van de training is een
goede warming-up een essentieel onderdeel. De
voordelen hiervan situeren zich zowel op
fysiologisch als op psychologisch vlak. De
warming-up gebeurt actief en duurt 10 tot 20
minuten. Een goede warming-up bestaat uit 3
fasen: (1) algemene oefeningen om het hart- en
vaatsysteem te prikkelen en om de
lichaamstemperatuur te verhogen; (2) stretching (rektechnieken)
van de grote spiergroepen en die spiergroepen die
voor de beoefende activiteit belangrijk zin; en (3)
specifieke oefeningen om de spieren op de beweging
voor te bereiden. De intensiteit van de warming-up
mag niet te hoog zijn. Ook hier primeert de duur op
de intensiteit.
Na een inspanning of training volgt natuurlijk een
cooling-down (herstel). Het plots stoppen met
een intense activiteit is sterk af te raden. Bouw
daarom de inspanning tegen het einde geleidelijk af.
Het recuperatieproces wordt versneld wanneer
lichte oefeningen (lage intensiteit) worden
uitgevoerd. Een cooling-down kan bestaan uit: (1)
losjes uitlopen of uitwandelen met verschillende
rustige bewegingsvormen; (2) ruglig, benen omhoog en
uitschudden (fietsbeweging); en (3) stretching (rektechnieken)
die zich hier meestal beperken tot de spiergroepen
die tijdens de training intens werden belast.
d. Stretching
Stretching of het gebruik van
rektechnieken zijn eerst en vooral een middel om
de lenigheid te bevorderen. Stretching biedt echter
ook voordelen wanneer er op een verantwoorde wijze
gebruik van wordt gemaakt voor en na intensieve
inspanning. De kans op kwetsuren is kleiner. Indien
er dan toch een letsel zou optreden, blijkt deze
minder ernstig te zijn. Stretching zal ook de kans
op spierpijnen voorkomen of verminderen. Tenslotte
kan stretching het herstel na de inspanning helpen
bevorderen.
e. Begin zeer rustig en bouw langzaam op
Begin liever te traag dan te snel en bouw zeer
langzaam op. Dit advies geldt dubbel voor mensen
met overgewicht of andere gezondheidsproblemen. Bouw
eerst de tijdsduur van de activiteit aan een lage
intensiteit voldoende uit vooraleer de intensiteit
te verhogen. Te intens trainen zal niet enkel de
conditie negatief beļnvloeden, maar kan bovendien de
gezondheid schade berokkenen. Een langzame opbouw is
belangrijk om overbelastingsletsels, kwetsuren en
overtraining te vermijden. Intens trainen na een te
korte opbouwperiode kan het immuunsysteem
onderdrukken waardoor je vatbaarder wordt voor
ziekte. In deze context is het ook niet aangeraden
te trainen wanneer men koorts heeft of zich licht
grieperig voelt. Hervatten van de training kan pas
wanneer de lichaamstemperatuur gedurende 2 3 dagen
genormaliseerd is. Liever een dagje extra rust dan
je sportieve inspanning op termijn in gevaar
brengen.
f. Voldoende nachtrust is belangrijk
De nachtrust is de herstelperiode bij
uitstek. Het ritme van de herstelmechanismen
versnelt tijdens de nachtrust door een verhoogde
afscheiding van het groeihormoon. Onvoldoende slaap
zal de herstelperiode na inspanning verlengen.
Regelmaat in het slaappatroon (op hetzelfde tijdstip
gaan slapen en ontwaken) zal het herstel na
inspanning en het uiteindelijke prestatievermogen
positief beļnvloeden. Bovendien dienen alle factoren
die de slaap kunnen verstoren (koffie, alcohol,
roken
) zoveel mogelijk vermeden te worden. Ook
belangrijk hierbij is te vermelden dat training
savonds laat de nachtrust kan verstoren. Hou er
rekening mee dat het lichaam na een training
minimaal 2 uur (afhankelijk van de intensiteit)
nodig heeft om terug tot volledige rust te komen.
Kies daarom het juiste tijdstip en een aangename
omgeving om je trainingen uit te voeren.
g. Conditieopbouw als onderdeel van een totaal
programma
Conditieopbouw is steeds een onderdeel van een
totaal programma waar ook andere lichamelijke
basiseigenschappen deel van uit maken. Het geheel
van de conditieopbouw dient steeds te worden
aangevuld met de juiste adviezen over het drinken
voor, tijdens en na de inspanning en richtlijnen
met betrekking tot de optimale voeding.
Algemene besluit: take home message
Wie op een verantwoorde wijze aan zijn conditie wil
werken, moet een aantal richtlijnen volgen.
1. Conditie opbouwen is een langdurig proces waarbij
de elementaire beginselen van het trainingsproces
dienen gerespecteerd te worden. Training is een
doelgericht proces waarbij belasting en herstel
centraal staan. Trainingsprincipes zijn algemeen
gehanteerde aanwijzingen voor het trainingsproces.
2. Vanaf de leeftijd van 35 jaar of bij
vermoeden/symptomen van ziekte of overgewicht is een
uitgebreid medisch onderzoek aangewezen.
Participatie in conditie-programmas door jongeren
en jong volwassenen in goede gezondheid houdt in
principe weinig risico in.
3. Cyclische activiteiten die continu
gedurende lange tijd kunnen worden volgehouden, en
welke een groot deel van de spiermassa mobiliseren
zijn bijzonder geschikt voor het opbouwen van de
conditie.
4. Het effect van de training wordt
hoofdzakelijk bepaald door de intensiteit (60 80 %Hfmax)
en de duur (25 60 minuten) van elke belasting, en
de frequentie per week (3 5 x per week). Een
progressieve opbouw van de training is hierbij van
primordiaal belang. Begin liever te traag dan te
snel en bouw zeer langzaam op. Warming-up voor en
cooling-down na de inspanning zijn noodzakelijk om
de training optimaal te laten verlopen en de kans op
kwetsuren,
te verminderen.
5. Het bijhouden van een dagboekje en de
regelmatige controle van het lichaamsgewicht
en de hartfrequentie in rust zijn eenvoudige
hulpmiddelen om de conditieopbouw in de juiste
richting te sturen (of bijsturen).
6. Een goede nachtrust versnelt het
herstelproces na training. Kies daarom ook het
juiste tijdstip en een aangename omgeving om je
conditie-programma uit te voeren.
7. Conditie opbouwen is een onderdeel van een
totaal programma waarbij de juiste adviezen met
betrekking tot het drinkgedrag voor, tijdens en na
de inspanning, en duidelijke richtlijnen voor een
optimale voeding deel van uitmaken.
Referenties
Vrijens, J., Bourgois, J., Lenoir, M. Basis voor
verantwoord trainen. Monografie voor Lichamelijke
opvoeding nr. 42. Publicatiefonds voor Lichamelijke
Opvoeding: 450 paginas, 2001.
Bourgois J., Vrijens J., Cambier D., Witvrouw J.,
Danneels L., Conditieopbouw: wees je eigen trainer.
Tijdschrift voor Lichamelijke Opvoeding, Gezond
sporten en bewegen, Nr. 3, 191; 4 - 10, 2001
|