Naast algemene eiwitsupplementatie, is men de laatste jaren ook supplementen van individuele aminozuren gaan innemen.
Men weet dat een aantal aminozuren (leucine, isoleucine, valine, arginine, ornithine en glutamine) een belangrijke rol speelt in het metabole, fysiologische en/of psychologische proces bij duurinspanning.
Op basis van dit gegeven zijn een aantal hypotheses ontwikkeld die, ondanks onvoldoende, tegenstrijdige of helemaal geen wetenschappelijke fundering, reeds voor waarheid worden aangenomen én commercieel uitgebuit. Enkele voorbeelden van dergelijke hypotheses:
- de vertakte aminozuren (leucine, isoleucine, valine) zouden het vermoeidheidsgevoel tijdens duurinspanning verminderen en een invloed hebben op oververmoeidheid en/of overtraining;
- de vertakte aminozuren, glutamine en carnitine zouden, in combinatie met een koolhydraatrijke voeding, voor een verminderde eiwitafbraak zorgen bij duurinspanning (door stimulatie van de insulinesecretie), een verhoogde lean body mass, een verbeterde immuniteit en een betere recuperatie;
- arginine en ornithine zouden een gunstige invloed hebben op het immuunstelsel;
- glutamine zou ook erg belangrijk zijn voor de immunitaire functie, en duidelijk verlaagd zijn bij overtraining.
(Bij krachttraining: Een aantal aminozuren (arginine, lysine, histidine, methionine, ornithine en fenylalanine) zou bij krachtsporters een prestatiebevorderend (ergogeen) effect hebben door een ver hoogde vrijmaking van groeihormoon. Nochtans wordt door de meeste wetenschappers momenteel aangenomen dat, wanneer bij een krachtsporter de eiwitinname (ongeacht het soort aminozuren) voldoende is om een positieve stikstofbalans te behouden, er geen argumenten zijn om aan te nemen dat supplementatie van bepaalde aminozuren de fysiologische respons op krachttraining nog zou verbeteren)
Cafeïne
is een interessante stof . Het zit in
verschillende voedingsmiddelen (koffie, thee,
chocolade, frisdranken) En wereldwijd is het
waarschijnlijk één van de meest gebruikte drugs.
Sinds 1 januari 2004 staat het niet meer op de
dopinglijst.
Cafeïne heeft een duidelijk effect op het
prestatievermogen bij verschillende soorten
inspanning. Het positieve effect van cafeïne op
de duurprestatie wordt vaak toegeschreven aan
een toegenomen vetoxidatie en
glycogeensparing. Cafeïne zou de vrijmaking
van vetzuren (lipolyse) stimuleren en dit zou in
een aantal gevallen leiden tot verhoogde
vetzuurspiegels of vetoxidatie. Deze stelling
wordt echter niet volledig onderbouwd door
wetenschappelijk onderzoek. In de meeste studies
die een duidelijk effect vinden op het
prestatievermogen is er geen stijging merkbaar
in de vetzuurconcentratie van het plasma of van
de vetverbranding. Dit maakt het
onwaarschijnlijk dat het effect van cafeïne op
de lipolyse verantwoordelijk is voor het
verbeterde prestatievermogen. Ofschoon cafeïne
bij intensiteiten van 80 tot 85% VO2max
glycogeensparend kan werken, lijkt dit effect te
klein om het grote effect op de prestatie te
verklaren.
Cafeïne werkt dus waarschijnlijk via andere
mechanismen en niet via een stimulering van de
vetverbranding. Op dit ogenblik vermoedt men
dat het werkingsmechanisme van cafeïne wellicht
in de hersenen gezocht moet worden, vandaar dat
men zegt dat deze stof een centraal effect
heeft. Verder onderzoek moet dit uitklaren.
Het is wel belangrijk te melden dat
cafeïne-inname een aantal negatieve bijwerkingen
kan hebben, te weten hartkloppingen, beven,
hoofdpijn, duizeligheid en maagdarmproblemen
Carnitine
is een stof met een belangrijke functie in de vetstofwisseling en wordt vooral teruggevonden in vlees en vis. Wanneer vetten uit de bloedbaan in de spier zijn opgenomen, moeten ze naar de energiecentrales (de mitochondriën) van de spiercel worden getransporteerd. Hier worden vetten afgebroken en wordt energie gegenereerd voor spiercontracties. Het transport over het mitochondriale membraan is een kritische stap voor de vetoxidatie. Voor dit transport is carnitine nodig. Het is daarom logisch te denken dat een hoge(re) carnitine concentratie in de spier een toegenomen transport van vetzuren bewerkstelligt. De eenvoudigste manier om carnitine toe te dienen is via orale inname. Carnitine wordt meestal verkocht als een vloeistof of capsules en kwam voor het eerst in de belangstelling toen Italië in 1982 Wereldkampioen voetbal werd. Hun goede prestaties zouden deels aan carnitine toe te schrijven te zijn.
Recente onderzoeken tonen echter aan dat carnitine inname (zelfs hoge doseringen), de spiercarnitine concentratie niet beinvloedt. Na inname is er een duidelijke stijging te zien van het plasmacarnitine maar deze concentratie is nog steeds ongeveer 100 maal lager dan de concentratie in de spier. Carnitine kan niet tegen deze concentratiegradient in worden getransporteerd. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het overgrote deel van alle studies geen effect van carnitine inname op vetoxidatie of het prestatievermogen konden vinden. De claims van producenten van carnitinesupplementen worden niet wetenschappelijk ondersteund.
|