| |
DIAGNOSE |
BMI |
|
| |
Ondergewicht |
Kleiner dan 18.5 |
|
| |
Normaal gewicht |
Tussen 18.5 - 24.9 |
|
| |
Overgewicht |
Tussen 25.0 - 29.9 |
|
| |
Obesitas |
Boven 30.0 |
|
Zowel bij erg magere (BMI<18,5) als bij erg dikke
mensen (BMI>30) stijgt het risico op
gezondheidsproblemen (jicht, diabetes, hoge
bloeddruk, hart- en vaatziekten, kanker,
osteoarthritis,
).
De score geldt zowel voor vrouwen als voor mannen.
De berekening is handig voor een eerste screening,
maar heeft zijn beperkingen o.a. omdat geen rekening
gehouden wordt met leeftijd en geslacht.
De BMI-schaal is niet van toepassing op kinderen en
jongeren (<20 jaar). Tijdens de groeifase verandert
namelijk de hoeveelheid vetweefsel. Bovendien is de
BMI bij kinderen geslachtsafhankelijk: meisjes
hebben gemiddeld een iets hogere BMI dan jongens.
Voor de interpretatie van de BMI van kinderen en
jongeren van 2 tot 20 jaar maakt men gebruik van
geslachtsspecifieke groeicurven.
Twee volwassenen met dezelfde BMI kunnen een
verschillend percentage lichaamsvet hebben. Een
bodybuilder met een grote spiermassa en een laag
vetpercentage kan dezelfde BMI hebben als iemand met
meer lichaamsvet, omdat bij de berekening van de BMI
alleen met gewicht en lengte rekening wordt
gehouden.
 |
|
1,90 m
|
Lengte
|
1,90 m
|
|
100 kg
|
gewicht
|
100 kg
|
|
27.7
|
BMI
|
27.7
|
|
|
 |
Deze mannen hebben dezelfde lichaamslengte,
hetzelfde gewicht en dus dezelfde BMI, maar kunnen
een verschillend vetpercentage hebben.
Sommige sporters met veel spiermassa lijken volgens
hun BMI dus zeer vet, terwijl ze in werkelijkheid
misschien nauwelijks vet hebben.
Ook voor atleten voor wie een laag lichaamsgewicht
vereist is, zoals balletdansers, jockeys en turners
is de body mass index niet aangepast.
Om je ideaal gewicht te kennen volstaat het je
lengte in het kwadraat te vermenigvuldigen met een
cijfer tussen 20 en 25.
Voor iemand die 1,68 m groot is, bevindt het ideale
gewicht zich tussen 53 kg [(1,68 x 1,68) x 20] en 66
kg [(1,68 x 1,68) x 25].
| |
|
|
| < 18,5 |
|
Je bent te
mager. Probeer wat gewicht bij te winnen, maar
doe dit door gezond te eten. Een te laag gewicht
zorgt vaak voor minder weerstand tegen ziektes
en meer kans op infecties. |
| |
|
|
| 18,5-24,9 |
|
Je hebt een
normaal en gezond gewicht. Gezonde voeding en
voldoende lichaamsbeweging (minstens 30 minuten
per dag) zullen ervoor zorgen dat je dit gewicht
blijft behouden. |
| |
|
|
| 25,0-29,9
|
|
Je vertoont
overgewicht. Om je gewicht niet te doen
toenemen, moet je je eetgewoonten aanpassen en
meer bewegen (minstens 30 minuten per dag). |
| |
|
|
| 30,0-39,9
|
|
Je lijdt aan
obesitas. Dit levert een belangrijk risico op
voor uw gezondheid. Een gewichtsvermindering van
5-10% levert al een duidelijke gezondheidswinst op. |
| |
|
|
| >40
|
|
Je gewicht
vormt een bedreiging voor je gezondheid: de kans
op aandoeningen als hart- en vaatziekten,
diabetes en hoge bloeddruk neemt toe en je
gewrichten worden te zwaar belast. Probeer (met
professionele hulp) gewicht te verliezen. |
| |
|
|
Vetgehalte
Het menselijk lichaam is
samengesteld uit vier chemische
basiscomponenten: water, eiwitten mineralen en
vet. Het onderzoek naar de lichaamssamenstelling
kan zich dus richten naar elk van die
componenten afzonderlijk (waarbij met name het
bot, de spieren of het vet worden gemeten) of
zich beperken tot de vetcomponent en de
niet-vetcomponent.
De meeste onderzoekers hebben zich
echter hoofdzakelijk geconcentreerd op het meten
of schatten van het lichaamsvet.
Dit is wellicht ten dele te
verklaren door de bezorgdheid voor overgewicht
en vetzucht en de mogelijke effecten hiervan op
de gezondheid.
Het bepalen van het lichaamsvet is
eveneens van belang om normen vast te leggen van
zwaar- en vetlijvigheid, om atypische groei bij
kinderen vast te stellen en om het veranderen
van voedingsgewoonten te controleren. Aangezien
er ook een negatieve correlatie bestaat tussen
té veel vet en atletische prestaties, is er ook
een zeer grote belangstelling vanwege de
sportwereld om het vetgehalte van atleten te
kennen, en te kunnen vergelijken met standaard
vetpercentages van `type'-atleten, en om
eventuele vettoename of vetverlies te
controleren.
Tenslotte dienen vetmetingen ook om
de korte en lange termijn effecten van
trainingsprogramma's te evalueren, of om diverse
oefenprogramma's op hun mogelijk verschillende
effecten te toetsen.
|
Als referentiewaarden kunnen volgende
waarden gelden: |
|
Recreatiesporters |
prestatiesporters |
| Mannen |
Vet% |
Vet% |
| 13-15 jaar |
10-15 |
10-15 |
| 16-21 jaar |
8-15 |
8-12 |
| > 22 jaar |
10-15 |
5-12 |
| Vrouwen |
|
|
| 13-15 jaar |
15-25 |
15-25 |
| 16-21 jaar |
12-25 |
12-23 |
| > 22 jaar |
10-25 |
10-20 |
Verschillende
methodes
Gedurende de voorbije vijftig jaar
werden tal van methoden ontwikkeld om de
lichaamssamenstelling te bepalen.
Sommige van deze procedures zijn
omslachtig, vragen veel tijd en het gebruik van
gesofistikeerd en duur materiaal (ultrason,
radiografie, lichaamsimpedantie, whole body
counters, inert gas absorptie, dual energy xray
absorptiometry), terwijl andere methodes
daarentegen betrekkelijk eenvoudig en goedkoop
zijn, zoals onderwaterweging en antropometrie.
Deze laatste technieken werden
bekritiseerd, bediscussieerd en geëvalueerd in
tal van publicaties en op tal van
wetenschappelijke bijeenkomsten. De schatting
van de menselijke lichaamssamenstelling zal
nochtans altijd onzekerheden inhouden omdat bij
mensen alleen indirecte, in vivo analyse
methodes kunnen worden aangewend.
De enige rechtstreekse methode om
valide metingen te bekomen is eigenlijk
kadaveranalyse.
In de praktijk worden volgende
methoden gebruikt om iemands lichaamsvet te
bepalen:
1.
Huidplooidiktemeting
Het meten van huidplooidiktes is de
populairste techniek om het vetgehalte te
bepalen omdat hij relatief makkelijk toe te
passen is en enkel het gebruik van een vet- of
huidplooicaliper vereist, wat op zichzelf geen
dure investering betekent.
Een huidplooidikte (HPD) bestaat
eigenlijk uit twee lagen huid en twee lagen
onderhuids vet waarvan de dikte gemeten wordt
met een HPDmeter of vetcaliper.
De HPD-methode om het percentage
lichaamsvet te voorspellen gaat uit van de
veronderstelling dat de dikte van het subcutane
(onderhuidse) adipose weefsel een constante
proportie weergeeft van de totale vetmassa en
dat de geselecteerde meetplaatsen representatief
zijn voor de gemiddelde dikte van het onderhuids
vetweefsel.
Metingen van huidplooidiktes zijn
geïllustreerd in figuur 1.
De HPD-calipers
De beste HI'D-calipers zijn
gekalibreerde metalen instrumenten met een
constante druk van 10g/mm= tussen de
caliperlippen. Omdat de beste calipers ook de
meest precieze zijn (0,1 tot 0,5 mm), worden
deze dan ook aanbevolen voor researchgebruik (b.v.
Harpenden, Lange, Holtain). Ze zijn ook de
duurste. Voor gebruik in het veld bestaan echter
verschillende eenvoudige plastieken HPD-meters
die het vrij behoorlijk doen (zoals b.v.
FatO-Meter, Slimguide ). Ze zijn daarenboven
goedkoop. Hun nauwkeurigheid is - in het beste
geval beperkt tot 1 mm.
Meettechnieken
Als algemene regel geldt dat men met
een tamelijk vaste greep de huid (eigenlijk dus
een dubbele laag) en een hoeveelheid onderhuids
vet vastgrijpt tussen duim en wijsvinger,
volgens de lengterichting van de spiervezels.
Men plaatst de caliperlippen zodanig dat de druk
op de huidplooi (HP) uitgeoefend wordt door de
contactoppervlakken van het instrument en niet
door de vingers van de onderzoeker.
Men moet daarom de rand van de
caliperlippen precies 1 cm onder de rand van
duim en wijsvinger plaatsen. Deze meting kan
tamelijk nauwkeurig geschieden op voorwaarde dat
de huid op de juiste plaats wordt gegrepen en
dat de manier van vastgrijpen elke keer dezelfde
is, voor iedere onderzoeker. De greep wordt niet
gelost, wel grijpt men de huid iets losser op
het ogenblik van de meting. De caliperlippen
dienen steeds loodrecht te staan op de
huidplooi. Het aflezen gebeurt nadat de
"trekker" van het instrument losgelaten is door
de vingers, dus wanneer de caliperlippen een
maximale druk uitoefenen op de huidplooi. Men
wacht dus niet met aflezen totdat het
onderhuidse vet als het ware "samengekneed"
wordt. Als algemene regel kan men stellen dat de
aflezing na 2 à 3 seconden zou moeten gebeuren.
Bij het meten van obese personen zal
stevig drukken van duim en wijsvinger grote
uitwijkingen van de naald verminderen.
Hoewel dit een relatief makkelijk
toe te passen methode is, vraagt de meting toch
heel wat oefening vooraleer er sprake kan zijn
van een hoge objectiviteit.
Een van de kritische punten bij de
meting is de vraag hoe "diep" de caliperlippen
in de plooi moeten geplaatst worden. Dit hangt
af van de dikte van de huid. Bij een dunne huid
kan dit 1 cm bedragen, bij een dikkere iets
meer. Het is, hoe dan ook, een meting die
aangeleerd wordt met een geoefend en ervaren
persoon.
De objectiviteit van de metingen kan
verhoogd worden als er vooraf gestandaardiseerde
merkpunten op het lichaam geplaatst worden,
zoals b.v. het midden van de dij of de onderste
hoek van het schouderblad.
Specifieke metingen
Drie "klassieke" meetplaatsen voor
HPD's zijn de achterkant van de bovenarm (triceps),
de onderkant van het schouderblad, de heup en de
kuit mediaal. Het zijn met name deze HPD's die
ook gebruikt worden in een systeem om het
lichaamsbouwtype te bepalen en die men ook in
veel formules terugvindt.
Andere frequent gebruikte metingen
zijn deze op de dij, de borst en de buik. Ze
worden alle hierna gedetailleerd beschreven
Toepassingen en
mogelijke fouten
Eenmaal de HPD-metingen in een
specifiek onderzoek uitgevoerd zijn bij een
groep proefpersonen, berekent de onderzoeker een
formule waarin een aantal geselecteerde
HPD-variabelen zijn opgenomen die het best
bijdragen tot een zo nauwkeurig mogelijke
voorspelling van het percentage lichaamsvet. De
variabelen die dus het best het criterium kunnen
voorspellen, komen in aanmerking voor de
formule. Dit criterium (de `gouden standaard')
is gewoonlijk de lichaamsdensiteit bepaald via
de onderwaterweging.
Schattingen van het lichaamsvet door
middel van HPD-metingen, en zeker het gebruik
van predictieformules, zijn echter beperkt door
een aantal biologische en methodologische
factoren.
- Er is vooreerst de biologische
variabiliteit: Zo varieert de hoeveelheid
subcutaan vet met de leeftijd, geslacht en
ras, en is de samendrukbaarheid van de
huidplooi leeftijdsgebonden.
De hoeveelheid subcutaan vet
varieert volgens de literatuurbronnen van 27
tot 66%.
- De methodologische variabiliteit
verwijst ondermeer naar de betrouwbaarheid
van de persoon die de tests afneemt, naar de
plaats waar de huidplooidiktes worden
gemeten, naar de meettechnieken en naar de
statistische ontwikkeling van
voorspellingsformules. Er kunnen
voorspellingsfouten worden gemaakt wanneer
de onderzochte bevolking te weinig homogeen
is of wanneer lineaire regressiemodellen
gebruikt worden als de relatie curvilineair
is.
- Er is variatie in metingen die met
verschillende soorten calípers worden
uitgevoerd. Toch zou het best kunnen dat het
toepassen van de juiste meettechniek wel
eens belangrijker zou kunnen zijn dan het
soort caliper dat men hanteert.
De reproduceerbaarheid van de metingen
wordt verhoogd door
- het precies aanduiden van de juiste
anatomische merkpunten;
het juist oppikken van de
huidplooi;
- het correct plaatsen van de
caliperlippen op de juiste afstand van duim
en wijsvinger en loodrecht op de plooi;
- het vermijden van onnodige druk op de
plooi door binnen de gestandaardiseerde tijd
het meetresultaat af te lezen;
- elke meting drie maal uit te voeren en
dan ofwel de middelste waarde te behouden of
het gemiddelde van de twee dichtst bij
mekaar liggende waarden. Geoefende
examinators kunnen aldus de fout beperken
tot plus minus 1%.
Als gevolg van de onvermijdelijke menselijke
variatie bestaat er in de literatuur een hele
reeks formules om het percentage vet te
voorspellen aan de hand van een reeks
antropometrische variabelen, vooral HPD's.
Uiteraard zijn die formules, strikt genomen,
slechts geldig indien ze toegepast worden op de
populatie waarvan de data verzameld werden. Dit
betekent dat de onderzochte personen
vergelijkbaar moeten zijn, qua leeftijd,
geslacht, ras en fysiek fitheid, met de personen
die getest werden om de formules op te stellen.
Indien dit niet het geval is, worden
onvermijdelijk ongeldige besluiten getrokken.
Indien men b.v. een formule die gemaakt werd
voor atleten toepast op een sedentair persoon,
komt men tot verkeerde besluiten.
Verschillende protocollen werden
daarom ontworpen om het lichaamsvet te bepalen
bij atletische en niet-atletische groepen. Ook
werden verschillende methodes ontwikkeld om de
populatiespecificiteit van voorspellingsformules
te elimineren.
Het klassieke Durnin- en Womersley
protocol b.v. vereist HPDmetingen van triceps,
subscapula en supra iliacaal en de som van die
HPDmetingen wordt dan omgezet naar een
percentage vet. In het Jackson en Pollock
protocol worden HPD metingen genomen op de
borst, abdomen en dij voor de mannen en triceps,
dij en suprailiacaal voor de vrouwen om de
densiteit te voorspellen
Het gebruik van predictieformules
wordt door sommige onderzoekers bekritiseerd.
Men vindt nl dat het rapporteren van de som van
de gemeten huidplooidiktes zou moeten volstaan
en dat de omzetting van densiteit naar
percentage vet niet alleen overbodig, maar zelfs
ongewenst is.
Naast hun gekende kritiek over de
onhoudbaarheid van de veronderstellingen in het
twee- compartimentenmodel (zie verder nummer ),
twijfelen auteurs als Martin et al. ook aan de
houdbaarheid van vijf andere veronderstellingen:
- constante samendrukbaarheid van de
huidplooi?
- huiddikte verwaarloosbaar of steeds een
constante fractie van de huidplooidikte?
- vetverdeling steeds constant?
- constante vetfractie in het vetweefsel?
- steeds dezelfde verhouding intern/extern
vet?
Toch erkennen ze dat de HPD op zich een
valide indicator is van het onderhuidse
vetweefsel, maar niet van het percentage
lichaamsvet.
De oplossing die Johnson (1982)
voorstelde, lijkt ons een conceptueel gezonde en
ook praktische oplossing: "Op dit ogenblik lijkt
het beter dat humane biologen antropometrie op
zichzelf blijven gebruiken, eerder dan
schattingen te maken van de gehele
lichaamssamenstelling uit de beschikbare
formules. Zelfs al kunnen deze formules
bruikbare schattingen geven voor groepen, dan
zijn ze niet betrouwbaar voor individuele
voorspellingen".
Er wordt dan ook aanbevolen om de
ruwe HPD-metingen te gebruiken en te
interpreteren, eerder dan ze om te zetten naar
percentages vet.
HPD-metingen die regelmatig op
steeds dezelfde plaatsen van het lichaam gemeten
worden, kunnen veranderingen aanduiden in het
subcutane weefsel en dus nuttig voor atleten of
niet-atleten als controle op die fractie van hun
lichaamssamenstelling.
Predictieformule
(Jackson - Pollock-protocol)
- De formule
voor mannen is
d =1,1093800 - 0,0008267 (X1) +
0,0000016 (X1)_ - 0,0002574 (X3)
voor de vrouwen:
d=1,099492 - 0,0009929 (X2) +
0,0000023 (X2)_ -0,0001392 (x3)
waarbij
X1= HPD borst + HPD abd +
HPD dij
X2= HPD tric. + HPD dij +
HPD suprailiacaal
X3= leeftijd
d = lichaamsdensiteit
Samenvattend kan gesteld worden dat, ondanks
moeilijkheden inherent aan de meettechniek zelf
en de biologische variabiliteit van HPDmetingen,
de HPD techniek nog steeds frequent gebruikt
wordt om het vetgehalte te schatten. De critici
van deze technieken hebben vooral problemen met
de deductie van het percentage lichaamsvet via
een formule die door middel van één of meerdere
HPD-metingen de lichaamsdensiteit voorspelt.
Als men niet kiest voor een
eenvoudige som van HPD's, maar wel opteert voor
een predictieformule, dan moet men wel de meest
geschikte formule gebruiken. Anders bekomt men
onvermijdelijk verkeerde resultaten.
Specifieke
meetplaatsen
- HPD triceps
De examinator neemt de HP vast
met duim en wijsvinger van linker hand ter
hoogte van het middelpunt van de achterzijde
van de rechter bovenarm. De HP verloopt
parallel met de lengteas van de arm.
- HPD biceps
De examinator neemt de HP vast
met duim en wijsvinger van linker hand ter
hoogte van het middelpunt van de voorzijde
van de rechter bovenarm. De HP verloopt
parallel met de lengteas van de arm.
- HPD
schouderblad (subscapulair)
De examinator neemt de HP met
duim en wijsvinger van linker hand juist
onder de onderste hoek van het rechter
schouderblad. De HP is naar onder en naar
buiten gericht volgens de richting van de
ribben.
- HPD
suprailiacaal
De examinator neemt de HP met
duim en wijsvinger 7 cm boven de zg. SIAS (spina
iliaca anterior superior), een anatomisch
punt op het bekken. De HP is naar onder en
naar binnen gericht.
- HPD buik
De examinator neemt de HP met
duim en wijsvinger 3 tot 5 cm boven en
rechts van de navel. De plooi loopt parallel
met de lengteas van de romp. De
caliperlippen worden onder de vingers
geplaatst.
- HPD dij
frontaal
De te meten persoon plaatst zijn
voet op een bankje van ongeveer 20 cm hoog,
knie lichtjes gebogen, dijspieren volledig
ontspannen. De HP wordt gegrepen, met duim
en wijsvinger van linkerhand, in het midden
van de ventrale kant van de dij tussen de
trochanter en de bovenste rand van de
knieschijf. De plooi verloopt parallel met
de lengteas van de dij.
Een alternatieve, maar
efficiënte meettechniek, bestaat erin de
proefpersoon ontspannen te laten liggen op
een (massage)tafel, linker knie gebogen,
rechter been gestrekt maar ontspannen. Een
merkteken wordt geplaatst halfweg de SIAS
(zie hoger) en de bovenrand van de
knieschijf. De meting wordt zoals hierboven
uitgevoerd. Soms is het nodig voor de meting
van deze HP een tweede examinator in te
schakelen. Deze manipuleert dan de HP
terwijl de andere examinator de caliper
hanteert.
- HPD kuit
mediaal
De te meten persoon zit op een
stoel met de voeten een weinig gespreid en
gesteund op de vloer en het onderbeen
verticaal (hoek van 90° in de knieën). De
HPD wordt genomen met duim en
wijsvinger van linker hand, aan de mediale
kant van de rechter kuit, ter hoogte van de
maximale welving, en zodanig dat de HP
verticaal verloopt.
- HPD borst
De examinator neemt de HP ter
hoogte van het middelpunt tussen de voorkant
van de oksel en de tepel langsheen de
laterale rand van de grote borstspier (pectoralis
major). De HP verloop volgens een diagonaal
tussen de schouder en tegenovergestelde
heup.

Figuur 1 Metingen van
huidplooidiktes op verschillende plaatsen.
2.
Onderwaterweging
Er zijn mensen die drijven als een
kurk en anderen die zinken als een baksteen. Tot
de tweede categorie zullen eerder de
krachtatleten behoren. In het algemeen geldt dat
hoe meer vet iemand heeft, hoe groter zijn
drijfvermogen.
Het drijfvermogen in het water kan
dus gebruikt worden om te voorspellen hoe dens
iemand is. Op basis hiervan is het mogelijk de
hoeveelheid vet te schatten.
Deze procedure is ook gekend als de
densitometrie, het meten van de
lichaamsdensiteit (D). Om terminologische
spraakverwarring te vermijden gebruiken we hier
densiteit als vertaling van het Engelse density.
Densiteit is echte niet gelijk aan dichtheid !
- Densiteit is de concentratie van materie
uitgedrukt door de massa per volume-eenheid.
(1) Densiteit is niets anders
dan de soortelijke massa van een stof, t.t.z.
de verhouding van de massa van een bepaald
volume van die stof, tot dit volume of
g = m/v (dimensie, b.v. g/cm');
dichtheid aan de andere kant is de
verhouding van het gewicht G van een bepaald
volume van de stof tot het gewicht G van
eenzelfde volume zuiver water bij 4°C of d =
G/G (dimensieloos). Het Nederlandstalig
begrip dichtheid is identiek aan het
Engelstalig begrip "specific gravity".
Specific gravity is dus niet hetzelfde als
het soortelijke gewicht dat de verhouding
uitdrukt van het gewicht van een bepaald
volume van de stof tot dit volume of gamma =
G/ V (m.k.s. eenheid: N/ml).
Om het lichaamsvet te
voorspellen uit de lichaamsdensiteit, is het
echter nodig te veronderstellen dat het
lichaam samengesteld is uit een vet en een
niet-vet compartiment. Het niet-vet
compartiment (ook vetvrije massa of VVM, (2)
omvat spieren, bot en andere niet-vet
weefsels.
- In vele studies in het domein van de
lichaamssamenstelling worden de termen
vetvrije massa (VVM) en lean body mass (LBM,
in het Nederlands `actieve massa' of `la
masse maigre' in het Frans) door elkaar
gebruikt. Zoals origineel gedefinieerd door
Behnke (1959), heeft LBM een densiteit
kleiner dan 1,100 g/cc en bevat 2 tot 3%
essentieel vet. V VM daarentegen slaat op
lichaamsmassa dat geen vet bevat. Het is een
in vitro of laboratoriumconcept dat is
aangewezen voor kadaveranalyse. In normale,
gezonde volwassenen is dus het enige
verschil tussen VVM en LBM het essentieel
vet in het beenmerg, de hersenen, het
ruggenmerg en interne organen.
Hoewel vele researchers vinden
dat er nood is aan nieuwe
referentiemodellen, wordt het
tweecompartimenten-model echter nog altijd
frequent gebruikt als dé "gouden standaard"
in de wereld van de "body composition".
Voor een deel komt dit omdat de
bepaling van de lichaamssamenstelling via
b.v. een viercomponentenmodel (waarbij naast
het vet ook de mineralen-, eiwitten- en
watercomponent wordt gemeten) tijdrovend en
duur is.
Met de beschikbaarheid van
hightech apparatuur als DEXA (waarop we
verder ingaan) zou hierin verandering kunnen
komen, hoewel voorlopig het prijskaartje van
het toestel het gebruik ervan beperkt tot de
"happy
few".
Archimedes
Wanneer een lichaam uit twee delen
bestaat, en men kent zowel de densiteit van elk
van de delen als de totale densiteit, dan is het
mogelijk het gewicht van die delen te bepalen.
Archimedes toonde dit al meer dan 2.000 jaar
geleden aan. Volgens de wet die naar zijn naam is
genoemd, zal een lichaam dat in water
ondergedompeld is, een opwaartse kracht
ondervinden gelijk aan het volume van het
verplaatste water.
Aangezien de densiteit van vet
kleiner is dan deze van water, draagt vet bij tot
deze opwaartse kracht, zoals ook de lucht in de
longen of rond het lichaam (b.v. in zwemmuts of
zwempak). De densiteit van bot en spierweefsel is
echter groter dan deze van water en zal een
persoon dus doen zinken. Een persoon met veel bot
en spieren (zoals een bodybuilder), zal dus in het
water meer wegen en dus een grotere
lichaamsdensiteit hebben, d.w.z. een lager
percentage vet en een groter percentage VVM. De
densiteit kan dus bepaald worden als de verhouding
van de massa van een lichaam in de lucht en het
volume van de verplaatste watermassa.

Figuur 2 Relatie tussen
lichaamsdensiteit en percentage lichaamsvet
volgens de formule van Siri.
Een voorbeeld
Veronderstellen we dat een persoon
50 kg weegt. Wanneer hij volledig onder water
gedompeld is, weegt hij nog 2 kg. De opwaartse
kracht is dus gelijk aan 48 kg. 48 kg water (48000
g) is immers gelijk aan een volume water van 48
liter (48 000 cc).
De densiteit van deze persoon is
dus 50 000 g/48 000 cc of 1,0417 g/cc. Deze waarde
ligt ongeveer halfweg tussen de densiteitwaarden
0,90 g/cc voor zuiver vet en 1,10 g/cc voor
vetvrij weefsel. Er bestaat een omgekeerd
evenredig verband tussen de densiteit van een
menselijk lichaam en het percentage vet dat het
bevat.
Er bestaan een aantal formules om
het percentage vet te berekenen uit de
lichaamsdensiteit. Eén van de meest gekende is
deze van SIRI (1961)
Percentage lichaamsvet
= ((4,95 / densiteit) - 4,5) x 100
Fig. 1
toont het verband tussen lichaamsdensiteit en
percentage lichaamsvet volgens de formule van
Siri. In het voorbeeld komen typische
densiteitwaarden voor een normale gezonde man en
vrouw van 1,062 en 1,049 overeen met percentage
vet waarden van resp. 16 en 22.
De metingen
De eenvoudigste opstelling is deze
waarbij men gebruik maakt van een watertank van
1,95 m3 met vijf glazen wanden, een metalen
stoel met zitting en leuning, eventueel voorzien
van gewichten en een weegschaal met
weegcapaciteit van 50 kg en afleesbaarheid tot
op 50 g.
Verder kunnen nog een snorkel nodig
zijn, evenals een loden gordel of gewichten,
zwemmuts, badmantel, handdoek, thermometer,
waterverwarmer, zwembril en neusklip.
Na de ijking van de weegschaal, het
vaststellen van de watertemperatuur en het wegen
van de stoel, wordt de proefpersoon nauwkeurig
gewogen en men legt de proef volledig uit.
De proefpersoon neemt een douche,
klimt nadien in de tank in minimum kledij
(zwempak b.v.), en neemt voorzichtig plaats op
de stoel, die hij/zij met heide handen onderaan
vastgrijpt (Fig. 2). Eventueel (maar niet echt
gewenst) zijn neusklip, muts, zwembril en
snorkel. Met deze attributen is er immers
bijkomende "dode ruimte" .
Weeginstrument
Figuur 3 Typische proefopstelling voor
het bepalen van het hydrostatisch gewicht in een
watertank
Men laat de proefpersoon een aantal
minuten rustig zitten. Daarna laat men
hem/haar een aantal expiraties
uitvoeren bij wijze van oefening.
Wanneer hij/zij aangepast is, vraagt
men hem/haar maximaal te expireren en de adem te
blokkeren gedurende ± 5 seconden. De examinator
noteert nauwkeurig het lichaamsgewicht. Deze
proef wordt met kleine tussenpauzen ± 10 keer
herhaald om zeker te zijn dat een betrouwbaar
onderwatergewicht bekomen is.
Vervolgens wordt de
lichaamsdensiteit berekend
- Lichaams- LG (d)
.
densiteit LG (d) - LG (w) -
(RV+GIG)
Dw
Waarbij
- LG (d) en LG (w) het lichaamsgewicht
voorstelt resp. op het droge en in het
water.
- Dw de densiteit is van het water bij de
geobserveerde watertemperatuur. Bij 4°c
bedraagt het volume van 1 g water precies 1
cm'; de densiteit van water bij die t° is
dus 1 g/cmj. Elke stijging boven die
temperatuur zal het volume van 1 g water
doen toenemen en dus de densiteit doen
dalen. Daarom is het nodig deze (weliswaar
zeer kleine) correctie aan te brengen.
- RV het residuele longvolume voorstelt.
Dit is het volume lucht dat zelfs na
maximaal expireren in de longen blijft. Het
residueel longvolume is een relatief grote
hoeveelheid lucht (van 1 tot 2 liter met een
gemiddelde waarde voor jong volwassenen van
1,5 liter ± 0,5 liter en kleiner bij vrouwen
en oudere personen).
- GIG het Gastro Intestinale Gas
voorstelt. Het volume van het GIG is
relatief klein
(100 cc.) en variabel.
Het % vet wordt dan bepaald met de formule
van SIRI (zie hoger).
Enkele
slotbeschouwingen
- De onderwaterweging is minder geschikt
voor proefpersonen met psychische remmingen
t.o.v. wateronderdompeling en uiteraard niet
voor personen die niet kunnen zwemmen.
- Oorzaken van mogelijke schommelingen in
de metingen zijn o.a. ongecontroleerde
omgevingsinvloeden, bewegingen van de stoel,
precisie van de meetinstrumenten, schatten
i.p.v. exact meten van het residueel volume,
inbrengen van gewichten en andere voorwerpen
(stoel, snorkel, bril, neusklip, enz.),
eten, trainen en sauna voor de proef,
gebruik van medicamenten, en menstruatie bij
de vrouw.
- De densitometrische methode is gebaseerd
op het model vet/niet-vet en op de
veronderstelling dat elk compartiment een
gekende constante densiteit heeft en dat de
totale lichaamsdensiteit toelaat de
proportionele massa van elk van de
compartimenten te berekenen.
De densiteit van vet kan als constant
worden beschouwd.
Opdat het niet-vet compartiment eveneens
een constante densiteit zou hebben, moeten
echter twee voorwaarden vervuld zijn:
- elk van de samenstellende weefsels in
het niet-vet compartiment (spier en bot)
moet bij alle individuen in vaste proporties
aanwezig zijn, en
- de densiteit van elk van die weefsels
moet ook constant zijn. Zoals hoger reeds
aangehaald, zijner echter argumenten om te
twijfelen of aan deze condities is voldaan.
Voor bepaalde subjecten zoals b.v.
bodybuilders, is deze methode dus niet geschikt,
omdat hun lichaamsdensiteit groter kan zijn dan
1,10 g/ cc wat dan zou leiden tot 0 % vet, of
zelfs negatief vet, wat uiteraard onmogelijk is
(zie Fig. 3).
Figuur 4 Siri's vergelijking voor
lichaamsdensiteiten groter dan 1,1 g/cc,
resulterend in een negatief (!) vetpercentage.
De gemiddelde man/vrouw
Omwille van de opvallende
geslachtsverschillen in lichaamssamenstelling,
is het gebruik van een referentieman en een
referentievrouw een handige basis voor
evaluatie, statistische vergelijking en van de
"referentieman" en -"vrouw", interpretatie met
data van andere in termen van spier, vet en hot.
studies. Behnke ontwikkelde zo'n theoretisch
model dat gebaseerd is op de gemiddelde fysieke
dimensies die bekomen werden door verscheidene
duizenden metingen bij individuen in
grootschalige antropometrische onderzoeken. De
onderstaande tabel illustreert cijfermatig de
lichaamssamenstelling van de referentieman en
vrouw, in termen van spier, vet en bot.
|
Referentieman |
Referentievrouw |
| Leeftijd |
20 - 24 j |
20 - 24 j |
| Lich. lengte |
174,0 cm |
163,8 cm |
| Lichaamsmassa |
70 kg |
56,7 kg |
| Totaal vet |
10,5 kg (15,0 %) |
15,3 kg (27,0 %) |
| Depot vet |
8,4 kg (12,0 %) |
8,5 kg (15,0 %) |
| Essentieel vet |
2,2 kg (3,0 %) |
6,8 kg (12,0 %) |
| Spier |
31,3 kg (44,8 %) |
20,4 kg (36,0 %) |
| Bot |
10,4 kg (14,9 %) |
6,8 kg (12,0 %) |
| Residu |
17,6 kg (25,3 %) |
14,1 kg (25,0 %) |
| Lean body mass |
61,7 kg |
48,5 kg |
| a. essentieel vet |
1,86 kg (3,0 %) |
6,8 kg (14,0 %) |
| b. spier |
30,8 kg (50 %) |
20,4 kg (42,0 %) |
| c. bot |
10,4 kg (17,0 %) |
6,8 kg (14,0 %) |
3.
Bio-elektrische impedantieanalyse
Als methode om de
lichaamssamenstelling bij de mens te meten is de
bio-elektrische impedantie analyse (BIA) een
relatief nieuwe techniek. BIA zelf bestaat
weliswaar al meer dan 100 jaar, maar er valt nog
veel te leren over de factoren die de geleiding
van elektrische stromen in het levende lichaam
beïnvloeden.
De meting is gebaseerd op de
principes dat de intra- en extracellulaire
vloeistoffen in het lichaam als een geleider
fungeren voor lage frequentie elektrische
stromen en dat de weerstand van een elektrische
stroom omgekeerd evenredig is aan de hoeveelheid
vetvrije massa (VVM) van het lichaam. De VVM
bevat quasi al het lichaamswater met de
elektrolyten, heeft dus zeker een grotere water
en elektrolyteninhoud dan vetweefsel en bot, en
heeft daardoor ook een grotere geleidbaarheid.
Hoe groter de VVM, hoe groter de geleidbaarheid
en des te lager de weerstand.
De meeste studies, baseren zich op de
formule
- V=rL_/R,
- V is het volume van de geleider,
- r de soortelijke weerstand van het
geanalyseerde weefsel,
- L de lengte van de geleider
- R de waargenomen weerstand.
Het aldus berekende volume wordt
verondersteld totaal lichaamswater
(TBW of total body water) voor te
stellen, een variabele die hoog gecorreleerd is
met VVM.
De toepassing van de vergelijking V=rL_/R
om de lichaamssamenstelling te schatten, heeft
echter ook beperkingen. Er wordt met name
verondersteld dat de
geleider homogeen is wat betreft
samenstelling, vorm en densiteitverdeling
en dit is niet zo in het menselijke
lichaam.
Toestellen
Er zijn in de handel verschillende
types BIA-toestellen te koop. De prijs varieert
van enkele tientallen tot duizenden euros. Deze
prijsverschillen zijn hoofdzakelijk te wijten
aan de computer hard- en software. Een
elementair BIA- toestel toont eenvoudigweg de
gemeten impedantie in ohm, terwijl de duurdere
apparaten toegeleverd worden met printer,
bepaalde parameters berekenen en die ook op het
scherm tonen zoals b.v. relatief lichaamsvet. De
eigenlijke technologie voor de
BIA-instrumentatie is niet ingewikkeld en de
duurdere BIA-toestellen geven niet noodzakelijk
een nauwkeuriger impedantiemeting.
Een BIA-toestel moet zeker de
mogelijkheid hebben de impedantie te tonen in
ohm. Dit moet de gebruiker toelaten een keuze te
maken tussen een reeks gepubliceerde
regressievergelijkingen. De beste formule voor
een welbepaalde situatie is niet noodzakelijk
deze die door de leverancier voorzien is.
Bovendien kan het dat men de nieuwste formules
uit de literatuur wenst toe te passen.
Wanneer een formule geselecteerd
wordt om de lichaamssamenstelling te
voorspellen, is het belangrijk te weten welk
type BIA-toestel gebruikt werd om de
vergelijking te ontwikkelen.
Predictievergelijkingen zijn immers het
nauwkeurigst wanneer ze gebruikt worden met data
die verzameld werden met hetzelfde toestel dat
gebruikt werd om de formules te ontwikkelen. Er
mag dan enkel een ander toestel gebruikt worden
wanneer de impedantiemeting kan gecorrigeerd
worden.
Meetprocedures
De methode die gebruikt wordt in de
BIA voor het hele lichaam is tamelijk eenvoudig.
De proefpersoon ligt in ruglig op een niet
geleidend oppervlak, de benen lichtjes gespreid
zodat de dijen mekaar niet raken. Ook de armen
zijn lichtjes gespreid zodat ze de romp niet
raken.
Een paar elektrodes (type
aluminiumfolie) wordt geplaatst op enkel en voet
en een tweede paar op pols en hand (Fig. 1). Elk
paar bevat een bron- en een referentie- elektrode.
Een elektrische stroom (b.v. 800 mA, 50 kHz) wordt
via de bron elektrode aangevoerd en de
spanningsval tussen de referentie elektroden wordt
gemeten als de bio-elektrische weerstand of
impedantie.
Impedantie moet gemeten worden langs
die lichaamskant die ook gebruikt werd bij het
ontwikkelen van de formules (gewoonlijk rechts).
BIA is weinig afhankelijk van
geslacht of leeftijd en het toevoegen van deze
variabelen in formules verhoogt de precisie niet
veel.
Belangrijker echter is de
hydratatietoestand van een subject. Omdat de kans
op dehydratatie van weefsels vergroot met ouder
worden, zijn predictievergelijkingen niet valide
wanneer ze bij oudere mensen
worden toegepast. BIA metingen
worden daarom best ook niet genomen na intense
inspanningen of in omstandigheden waarbij veel
vocht verloren wordt. Bij vrouwen worden bij
voorkeur geen BIA metingen gedaan in de week vòòr
de maandstonden.
De temperatuur van de ruimte waarin
de metingen geschieden, moet aangenaam zijn en
stabiel.
Teneinde de variabiliteit, die
geassocieerd is met impedantiemetingen van het
gehele lichaam, te minimaliseren hebben
verschillende onderzoekers de
VVM voorspeld door
impedantiemetingen uit te voeren van verschillende
lichaamssegmenten. Deze benadering is echter
complexer dan één enkele impedantiemeting van het
hele lichaam, maar is wel nuttig wanneer de
lichaamslengte moeilijk te nemen is of wanneer de
lichaamssamenstelling bij b.v. geamputeerden dient
bepaald te worden.
Figuur 5 Plaatsing van de elektrodes bij
een meting van lichaamsimpedantie.
4. Dual-energy
X-ray absorptiometry (DEXA)
Dexa is een relatief recente
non-invasieve radiologische techniek.
Hoewel het belangrijkste
toepassingsgebied van Dexa de meting is van de
botdensiteit (om het risico voor osteoporosis te
schatten), kan de meting van de totale
hoeveelheid botmineralen gecombineerd worden met
andere metingen zoals totale hoeveelheid
lichaamswater en lichaamsdensiteit. Met een
Dexa-instrument is het ook mogelijk zachte
weefsels (die dus geen bot bevatten) te verdelen
in vet en `magere' componenten en zo een drie-
compartimenten model te construeren dat bestaat
uit de totale massa botmineralen, de magere
massa zonder bot en de vetmassa.
De energiebron bij Dexa zijn
X-stralen, wat het kwantificeren van
verschillende parameters van
lichaamssamenstelling mogelijk maakt.
De blootstelling aan de X-stralen is
minimaal, de evaluatietijd is beperkt en de
meetnauwkeurigheid is verhoogd door de
verbeterde resolutie. Dexa-instrumenten kunnen
parameters van lichaamssamenstelling
onderscheiden, zowel bij metingen voor het
gehele lichaam als regionaal.
Figuur 6 geeft een voorbeeld van een uitrol van
een Dexa onderzoek bij een 50-jarige mannelijke
vrijwilliger.
Bemerkingen
In tegenstelling tot de
densiteitsmetingen via hydrostatische weging, is
Dexa niet beperkt door de betwiste
veronderstellingen van het "constante densiteit"
model. De weefseldensiteiten worden direct
gemeten en onderscheiden van mekaar. Dit is een
beduidende vooruitgang tegenover de methode van
onderwaterweging.
Dexa is ook een praktisch toepasbare
techniek, hoewel getraind personeel vereist is.
Het praktische slaat uiteraard ook op de
mogelijkheid om met dit toestel `moeilijk
bereikbare' groepen te testen zoals ouderen,
kinderen, zieke mensen.
Een serieuze beperking is echter de
kostprijs (enkele miljoenen) wat betekent dat
het gebruik als veldtest uitgesloten is.
Hoewel een aantal onderzoekers Dexa
al hebben gepromoveerd tot de
nieuwste "gouden standaard",
twijfelen anderen toch nog over de geldigheid en
de precisie van de metingen. Die onzekerheid
wordt gevoed door de variabiliteit tussen
verschillende types toestellen veroorzaakt door
afwijkende ijking, dataverzameling en
data-analyse.
Figuur 6 Voorbeeld van een uitrol van een
Dexa-onderzoek bij een 50-jarige
man
5. Ultrasound
In de vijftiger jaren werd ultrasound
gebruikt in de vleesindustrie om de
lichaamssamenstelling van de veestapel te
bepalen. Pas in de zestiger jaren werd
ultrasound ook gebruikt om de menselijke
lichaamssamenstelling te bepalen.
De eerste studies die toen
gepubliceerd werden, gebruikten de zg A-scan
mode (diepte lezingen van veranderingen in de
weefseldichtheid).
Later werd een geavanceerder
techniek gebruikt, de B-scan mode (tweedimensionele
crosssectionele beelden van
weefselconfiguratie).
Principes
Ultrasound zijn geluidsgolven met
frequenties groter dan 20 kHz.
Wanneer een ultrasone golf van één
medium naar een ander gaat (zoals in het
menselijk lichaam met weefsels die verschillen
in akoestische eigenschappen en samenstelling),
wordt een deel geabsorbeerd door het weefsel
en/of teruggekaatst naar de ontvanger in functie
van de akoestische eigenschappen en de
samenstelling van het blootgestelde weefsel. De
energie van de teruggekaatste golf wordt dan op
een scherm zichtbaar gemaakt.
Bemerkingen
Uit verschillende studies is
gebleken dat het gebruik van ultrasone
apparatuur vrij valide metingen geeft van
lichaamsvet. Toch zijn er nog beperkingen voor
het algemeen gebruik. Zo is de signaalfrequentie
niet altijd juist bepaald en is de druk van de
echotaster en de te scannen plaats niet uniform
gestandaardiseerd. Een voordeel is dan weer dat
de techniek geen schadelijke bestraling met zich
meebrengt en dat de meeste toestellen makkelijk
te bedienen en niet al te duur zijn.
Slotbeschouwingen
Bij de zg. `moderne' technieken
horen ook de klassieke radiografie, de "ComputerizedTomography"
(CTscan), de totale lichaamswater bepaling, de "Near-Infrared
Spectrophotometry" (N.I.R.), de "Magnetische
Resonantie Beeldvorming" (MRD. Het zijn echter
zodanig gespecialiseerde technieken, die door
hun kostprijs, de noodzaak aan gespecialiseerd
personeel, het gebruik van ioniserende straling,
een beperkt gebruik hebben voor routine
toepassing.
Uit de (meestal) kritische
overzichtsartikelen waarin de verschillende
methodes besproken en vergeleken worden, blijkt
dat de meest exacte methoden ook de duurste zijn
en een (weliswaar kleine) stralingsbelasting met
zich meebrengen.
De Dexa-methode wordt door
verschillende auteurs als de nieuwe gouden
standaard beschouwd. Anderen vinden dat er nog
meer validiteitstudies
op verschillende populaties nodig
zijn vooraleer aan Dexa deze status toe te
kennen.
Ondanks discussies over de
vooronderstellingen bij het
2-compartimentenmodel, blijft onderwaterweging
een populaire methode in de wereld van
lichaamssamenstelling.
Ultrasound- en BIA-toestellen zijn
gebruikersvriendelijk en geven goede resultaten
mits het in acht nemen van een aantal
voorschriften.
Antropometrische methodes tenslotte,
waaronder het bepalen van het onderhuidse vet
d.m.v. huidplooicalipers, zijn goedkoop,
populair en gevalideerd. Wel dient men in de
meettechnieken opgeleid te zijn. Antropometrie
lijkt namelijk eenvoudig te zijn, maar vereist
anatomische kennis, meetvaardigheid en ervaring.
Het toepassen van
voorspellingsformules dient met de
nodige omzichtigheid te gebeuren.
Een eenvoudige methode bestaat er in
een aantal metingen van huidplooidiktes te
combineren en deze als dusdanig te evalueren.