Gezondsporten: een initiatief van de Vlaamse overheid
/ Home / Voeding / Ergogene middelen / vermagelingsmethodes
 
Invloed van vermageringsmethodes bij atleten

Atleten willen om verschillende redenen vermageren:

  • Atleten die een sport beoefenen waarbij gewichtsklassen gehanteerd worden, treden vaak op in gewichtsklassen die ver onder hun "natuurlijk" lichaamsgewicht liggen. Een bepaald gewicht is een must om aan de kompetitie te kunnen deelnemen. Voorbeelden van dergelijke sporten zijn: worstelen, judo, karate en roeien (in de lage gewichtscategorie).
  • Vermindering van het lichaamsgewicht en de vetmassa kan om esthetische redenen nodig zijn in bepaalde sporten zoals turnen, kunstschaatsen, duiken, bodybuilding, ballet,...
  • Een lager lichaamsgewicht en/of vetmassa verbetert in bepaalde sporten het prestatievermogen. Dit is de belangrijkste reden om te vermageren in sporten zoals lopen, langlaufen, wielrennen en hoog- of verspringen.

Er bestaat niet echt een typische "vermageringsatleet'. Zowel mannen als vrouwen, magere en gespierde atleten, uithoudingssporters, krachtsporters en spurters, adolescenten en volwassen atleten willen vermageren. De enige gemeenschappelijke factor is wel dat atleten die willen vermageren niet obees zijn. Dit heeft als gevolg dat vermageren bij deze atleten volledig andere gevolgen heeft op de prestatie dan bij obese personen die vermageren.

We zullen hier even dieper ingaan op de verschillende methodes die atleten gebruiken om te vermageren en het gevolg op hun prestatie. Ook aspecten die de prestatie op langere termijn kunnen beïnvloeden, zullen worden besproken. Tot slot zal de noodzaak van vermageren en de praktische aanpak worden toegelicht.

De vermageringsmethodes
Hierin kunnen we twee methodes onderscheiden

  • De snelle methode waarbij naar een bepaald gewicht gestreefd wordt op korte termijn (minder dan 1 week). Bij deze methode zal dehydratatie de belangrijkste rol spelen;
  • De graduele methode waarbij op langere termijn (meer dan 1 week) een negatieve energiebalans zal ingesteld worden.

De snelle vermageringsmethode wordt voornamelijk gebruikt door sporters die in gewichtsklassen uitkomen. Vocht- en voedselbeperking en training in rubberen of plastiek zweetpakken zijn de meest gebruikte manieren. Ook oefeningen in verwarmde ruimten (> 30°c) of saunasessies worden gebruikt.
Het gebruik van diuretica wordt eveneens toegepast, maar vermits deze op de dopinglijst staan wordt deze methode hier niet besproken.

Tabel 1 geeft een overzicht van de snelle vermageringsmethodes en hun effect.

Bij de graduele vermageringsmethode wordt gedurende langere periode (>1 week) een negatieve energiebalans ingesteld. Met andere woorden, er worden minder calorieën opgenomen dan er verbruikt worden.
Vermageringsmethoden zoals vastenkuren, dieetpillen, braken na de maaltijd en het misbruiken van laxantia, worden ook toegepast. Uiteraard zijn deze vormen van vermageren ten stelligste af te raden. In een studie bij 182 vrouwen bleek minstens 32 % deze pathogene vormen van gewichtsverlies te gebruiken. Het zijn eerder vrouwelijke atletes die hun toevlucht zoeken tot dergelijke technieken.
Tabel 1. Effect van snelle vermageringsmethodes.

Passieve dehydratatie duur gewichtsverlies % verlies
(uur)
Intermitterende sauna (80°c) 2 2.8 4
Klimakamer (56°c) 2 1.5 2
Intermitterende sauna (80-85°c) 2.5 2.7 3
Sauna (80°c) 24 3.5 4.7
Actieve dehydratatie
Training 12 3.3 4.9
Dehydratatie 24 3.2 4.5
Dehydratatie 48 3.4 4.7
Training 48 2.3 3.4
Training 30°C. 50 3.2 5.0
Training 59 4.4 6.0
Dehydratatie 72 3.6 5.0
Training, sauna 72 4.0 4.6
Training 96 4.3 6.3
Dehydratatie 96 4.3 5.8

Een overzicht van studies waarbij de graduele vermageringsmethode (energiebeperking) werd toegepast wordt in tabel 2 weergegeven.

Het totale gewichtsverlies is gelijk aan het gewichtsverlies zoals beschreven bij de snelle vermageringsmethode (3,1 tot 10 % van het lichaamsgewicht). Wekelijks was er een gewichtsdaling tussen 0,3 en 3,8 kg. De dagelijkse energie-inname schommelde tussen 75 en 134 kj per kg lichaamsgewicht (18-32 kcal/kg) en het vetgehalte in de voeding was laag tot zeer laag (12 tot 33 energieprocenten).
Diëten met minder dan 100 kJ per kg (24 kcal/kg) lichaamsgewicht leiden tot meer dan 1 kg gewichtsverlies. Iets minder drastische diëten van 105 à 135 kJ per kg (25-32 kcal) leiden tot een gewichtsdaling van ongeveer 0,5 kg per week.
Tabel 2. Effekten van graduele vermageringsmethoden.

Duur gewichtsverlies vetpercentage energie-inname
weken kg kg voor na kJ/kg/dag %
/week totaal
1 3,7 3,7 4,6 11,4 9,3 75
1 3,8 3,8 4,9 14,4 12,4 75
1 2,4 2,4 3,1 9,7 7,9 88
3 1,2 3,7 5,0 - - 98
3 1,6 5,0 8,1 12,2 5,0 87
3 1,6 5,0 8,8 11,3 6,0 94
3,7 2,4 8,9 10,0 - - 93
3,7 0,8 3,0 4,4 - - 127
3,7 1,9 7,1 8,0 9,8 4,9 100
3,9 0,7 2,7 4,7 12,7 - 117
7,0 0,6 4,3 7,8 4,8 1,1 134
8,0 0,8 6,0 6,3 9,0 6,9 215
>8,0 0,5 4,8 6,8 10,2 8,2 -
9,0 0,6 5,4 9,0 17,4 11,5 -
12 0,3 3,4 5,2 11,4 9,5 108

Effect van gewichtsverlies op het prestatievermogen

Verschillende studies tonen een duidelijk negatief effect aan op het uithoudingsvermogen, na snelle vermagering door sauna, vasten en/of dehydratatie. De tijd tot uitputting bij een submaximale inspanning verkortte systematisch. De maximale zuurstofopname daalde bij een snel gewichtsverlies (4,2 tot 4,9 % gewichtsverlies in 12 tot 24 uur) en bleef constant bij een iets kleiner gewichtsverlies (3,4 % gewichtsverlies in 2 tot 48 uur) of in een iets trager gewichtsverlies (8 % in 96 uur).
De resultaten na een graduele vermagering zijn wisselend. Zowel een daling van het aërobe prestatievermogen als een onveranderde toestand werden beschreven. De VO2max steeg zelfs significant in twee studies.

Ook kan er een invloed aangetoond worden op het anaërobe prestatievermogen.

  • Bij een snelle vermagering zonder een daarop volgende rehydratatie tonen de meeste studies een daling van het anaëroob prestatievermogen aan. Na een dieet rijk aan koolhydraten werd deze daling echter niet vastgesteld. Men kon eveneens vaststellen dat na een korte rehydratatieperiode (1 tot 3,5 u) het anaërobe vermogen nog steeds gedaald was. Na een langere rehydratatieperiode (5 tot 24 u) was het anaëroob prestatievermogen weer genormaliseerd.
  • Bij graduele vermagering met een normaal koolhydraatrijk dieet zien we geen vermindering van het anaëroob prestatievermogen.

Ook de krachtuithouding en maximale spierkracht (zowel isokinetisch als isotoon) verminderen na een snelle vermagering. Een korte rehydratatieperiode verandert niets aan dit feit. Na een lange rehydratatieperiode (5 tot 24 u) zien we echter een normalisatie van het krachtuithoudingsvermogen en van de maximale spierkracht. Na graduele vermagering daalde de isometrische krachtuithouding, terwijl de isotone krachtuithouding onveranderd bleef. De maximale spierkracht lijkt echter toe te nemen na graduele vermagering, en zeker wanneer deze wordt uitgedrukt in Newton per kg lichaamsgewicht.

Fysiologische mechanismen
De snelle vermageringsmethode is vooral het gevolg van vochtverlies. Door het overdadig zweten wordt de thermoregulatie negatief beïnvloed en verhoogt de kerntemperatuur van het lichaam, zowel in rust als bij inspanning.
Het slagdebiet daalt eveneens, wat een verminderd transport van zuurstof naar de spier met zich meebrengt. Dit, samen met een verminderd transport van afvalstoffen, een verminderd warmteverlies en een gedaalde nutriëntenuitwisseling zal een vermindering van het aërobe en het anaërobe lactische systeem met zich meebrengen. Het anaërobe- alactische systeem wordt echter niet beïnvloed door dehydratatie.
Wanneer men vast vóór de wedstrijden zal de glycogeenreserve verminderd zijn. Dit kan zowel de aërobe als de anaërobe lactische energielevering compromitteren.
Dieetmanipulaties kunnen ook het buffersysteem in het bloed beïnvloeden. Na een koolhydraatarm en eiwitrijk dieet vindt men een daling van de basische reserve (buffercapaciteit). Hierdoor daalt vooral het anaërobe lactische prestatievermogen.
Voor de daling van de maximale spierkracht kan tot nog toe geen verklaring gegeven worden.

Belang van rehydratatie
Ondanks het feit dat in de meeste sporten met gewichtscategorieën na de weging nog tijd is om te rehydrateren (de wedstrijden hebben plaats 2 tot 20 uur na de weging, afhankelijk van de sport) is dit rehydratatiefenomeen slechts in zeer weinig studies bestudeerd.
Bij rehydratatie zal de toename van het lichaamsgewicht NIET kunnen voorspellen of de atleet is hersteld. Tijdens de korte rehydratatieperiode (1 tot 3,5 uur) was er gewichtsherstel tot 100 %, terwijl na een langere rehydratatie (5-24 u) slechts 11-73 % van het gewicht werd ingehaald.
Niettegenstaande het gewicht niet voor 100 % opnieuw bereikt wordt tijdens een langere
rehydratatieperiode is het prestatievermogen wel degelijk hersteld.
Hieruit kunnen we besluiten dat het vochtverlies niet de enige reden is van prestatievermindering.
De langere rustperiode (>5 u) is dus blijkbaar eveneens van belang voor het herstel van de
glycogeenreserve en de bufferende capaciteit van het bloed.

Lange-termijneffekten van gewichtsverlies op het prestatievermogen
Het spreekt voor zich dat een langdurige verminderde energie-inname fysiologische en psychologische gevolgen zal hebben die de sportprestatie kunnen beïnvloeden.
Zowel bij de snelle vermageringsmethode als bij de graduele vermageringsmethode speelt de
koolhydraatinname een belangrijke rol in het behoud van de anaërobe capaciteit en het
spieruithoudingsvermogen.


Verder zullen bij een glycogeengedepleteerde toestand (een toestand waarbij het glycogeen is
opgebruikt, bijvoorbeeld na lang vasten en hard trainen) meer aminozuren geoxideerd worden. Wanneer men dus voldoende koolhydraten opneemt, heeft dit een eiwitsparend effect. Er wordt met andere woorden minder spiermassa afgebroken.
Bij duursporters werd aangetoond dat deze snel in overtraining gingen bij een dieet met een relatief laag koolhydraatgehalte (5,3 g/kg), terwijl bij een hogere koolhydraatinname (8,2 g/kg) overtraining voorkomen werd. Men stelt daarom dat bij duursport een koolhydraatinname van minstens 10 g/kg/24 u nodig is om binnen 24 u het glycogeengehalte weer op peil te brengen.

Wanneer een dieet gevolgd wordt van 100 kJ per kg/dag (24 kcal/kg) dan wordt er bij 70 energieprocenten koolhydraten toch nog maar 4,2 g koolhydraten/kg opgenomen. Voor duursporters is dit te weinig. Maar voor sporters die uitkomen in gewichtsklassen is niet geweten of dergelijke hoge koolhydraatinnames nodig zijn om in evenwicht te blijven.
Om te vermijden dat de spiermassa wordt aangesproken, is een minimale eiwitinname van 1,2 à 1,5 gram eiwit per kg lichaamsgewicht nodig.
Atleten zijn eveneens erg bezorgd, zelfs wanneer ze niet vermageren, om hun micro- nutriënteninname (vitamines en mineralen). Wanneer men minder energie opneemt, zullen er eveneens minder vitamines worden opgenomen. Zo kan men natuurlijk de vraag stellen of er geen tekort zal ontstaan.
Slechts enkele studies gaan dieper op deze problematiek in. Over het algemeen worden geen duidelijk verlaagde concentraties vastgesteld. Bij Finse worstelaars werd na 3 weken-dieet (zonder supplementatie) een verlaagd pyridoxine (B6)- en magnesiumgehalte vastgesteld, evenwel zonder prestatievermindering. Bij anorexia nervosa patiënten waren alle micronutriëntenconcentraties in het bloed normaal, op de zinkconcentraties na.

En de gezondheid ?
Of al dan niet een supplementatie moet overwogen worden na meer dan 3 weken dieet, blijft een open vraag. Het lagere termijneffekt op de gezondheid van atleten die vermageringstechnieken hanteren is niet goed gekend.
Turnsters zijn kleiner en later rijp dan zwemsters, maar het is niet duidelijk om hiervan de oorzaken te achterhalen. Is de training de oorzaak, de energiebeperking of is er een voorbestemdheid voor een latere puberteit? Waarschijnlijk een combinatie van die verschillende factoren.
Een vraag die eveneens vaak gesteld wordt is het effect op het lichaam van de atleet ééns hij de topsport verlaten heeft. Dit werd vooral intensief bestudeerd bij worstelaars. Men heeft duidelijk kunnen aantonen dat worstelaars die vaak ernstige gewichtsschommelingen doormaken, later geen verhoogd basaal metabolisme vertonen en dat ze dus geen groter risico op het ontwikkelen van overgewicht lopen. Tenzij ze hun energie-inname niet afstellen op hun verminderd energieverbruik.
Het is ook niet geweten of het herhaaldelijk toepassen van dehydratatietechnieken schadelijk zou zijn voor de nieren.
Wat men wél weet is dat het misbruiken van laxeermiddelen oorzaak kan zijn van gastro intestinale problemen, zoals bloedingen en een verminderde beweeglijkheid van de darmen (colonperistaltiek).
Het gebruik van diuretica waarbij hypovolemie (verminderd circulerend bloedvolume) en metabole acidose (verzuring) uitgelokt worden, betekent een verhoogd risico op hartaandoeningen.
Beide vormen van medicatie (laxantia en diuretica) moeten dan ook ten zeerste afgeraden worden.

Zie ook concrete tips voor sporters die willen vermageren

top


Dopinglijn (nieuw venster)
Koepel Sportvlaanderen.be (nieuw venster)
logo Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media (nieuw venster)
portaalsite Vlaamse overheid (nieuw venster)
nieuwsbrief
inschrijven


Copyright © Vlaamse overheid